ECLI:NL:HR:2022:1701

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2022
Publicatiedatum
17 november 2022
Zaaknummer
22/02021
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 RvArt. 2:1 lid 6 WvggzArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van zorgmachtiging na cassatie en terugwijzing onder Wvggz

In deze zaak stond de beoordeling van een zorgmachtiging onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) centraal. De rechtbank Den Haag had op 13 juli 2021 een aansluitende zorgmachtiging verleend, welke later door de Hoge Raad werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen ter verdere behandeling. Na terugwijzing verleende de rechtbank op 23 maart 2022 opnieuw een aansluitende zorgmachtiging.

De Hoge Raad stelde vast dat de bestreden beschikking inmiddels was vervallen doordat op 27 december 2021 een nieuwe aansluitende zorgmachtiging was verleend. De vraag was of de rechtbank bij de herbeoordeling het geschil ex nunc (op het moment van de nieuwe beslissing) of ex tunc (op het moment van de vernietigde beschikking) moest beoordelen.

De Hoge Raad bevestigde dat in situaties waarin de oorspronkelijke machtiging inmiddels is vervallen, de rechtbank ex tunc moet beoordelen of destijds de criteria voor verlening waren vervuld. Dit betekent dat de rechtbank de zaak moet behandelen zoals die stond ten tijde van de vernietigde beschikking, zonder nieuwe feitelijke stellingen of verweren na terugwijzing mee te nemen.

De klacht van betrokkene dat de rechtbank nieuwe standpunten had moeten betrekken werd verworpen. De Hoge Raad wees op eerdere rechtspraak onder de Wet Bopz en bevestigde dat deze beoordelingswijze ook onder de Wvggz geldt. Het beroep in cassatie werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de rechtbank mag ex tunc beoordelen of destijds aan de criteria voor verlening van de zorgmachtiging was voldaan.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer22/02021
Datum18 november 2022
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: C. Reijntjes-Wendenburg,
tegen
OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT DEN HAAG,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Procesverloop in cassatie

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/09/614515 / FA RK 21-4493 van de rechtbank Den Haag van
13 juli 2021;
b. de beschikking in de zaak 21/03952 van de Hoge Raad van 4 februari 2022; en
c. de beschikking in de zaak C/09/614515 / FA RK 21-4493 van de rechtbank Den Haag van
23 maart 2022.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank van 23 maart 2022 beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de advocaat-generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) De rechtbank heeft op 9 februari 2021 voor betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 9 augustus 2021.
(ii) Bij beschikking van 13 juli 2021 heeft de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging verleend tot en met 13 januari 2022.
(iii) Betrokkene heeft tegen de beschikking van 13 juli 2021 beroep in cassatie ingesteld.
(iv) Bij beschikking van 27 december 2021 heeft de rechtbank opnieuw een aansluitende zorgmachtiging verleend. Tegen deze beschikking is geen cassatieberoep ingesteld.
(v) De Hoge Raad heeft bij beschikking van 4 februari 2022 [1] de beschikking van de rechtbank van 13 juli 2021 vernietigd en het geding naar de rechtbank teruggewezen ter verdere behandeling en beslissing.
2.2
Na de hiervoor in 2.1 onder (v) vermelde terugwijzing heeft de rechtbank bij beschikking van 23 maart 2022 voor betrokkene een aansluitende zorgmachtiging verleend tot en met 13 januari 2022. [2]
2.3
De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen.
De bestreden beslissing betreft een machtiging die inmiddels is vervallen. De rechtbank heeft op 27 december 2021 een (nieuwe) aansluitende zorgmachtiging verleend. Die beslissing ligt nu niet ter toetsing voor. De rechtbank dient in het onderhavige geval daarom te beoordelen of ten tijde van de vernietigde beslissing, op 13 juli 2021, werd voldaan aan de criteria voor verlening van de verzochte aansluitende zorgmachtiging (‘ex tunc’).
De rechtbank moet de zaak behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de vernietigde beschikking werd gegeven.
Gelet op het oordeel van de Hoge Raad in de beschikking van 4 februari 2022, moet de beoordeling door de rechtbank zich alleen nog richten op de vraag of zich ten aanzien van het bezwaar van betrokkene tegen het toedienen van medicatie, situaties voordeden als bedoeld in art. 2:1 lid Pro 6, aanhef en onder b, Wvggz en, indien dat niet het geval was, of sprake was van wilsbekwaam verzet van betrokkene. In de onderhavige zaak is geen sprake van een beslissing die ziet op de actuele toestand, nu (opnieuw) een beslissing moet worden genomen over het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging, die - met het verlenen van een (nieuwe) aansluitende zorgmachtiging - op 27 december 2021 reeds is vervallen. Verder is gesteld noch gebleken dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin de gebondenheid van de rechter aan niet of tevergeefs bestreden beslissingen kan worden doorbroken.
Het voorgaande brengt mee dat geen nieuwe feitelijke stellingen, verweren en standpunten kunnen worden aangevoerd. De verweren die betrokkene na terugwijzing voor het eerst aanvoert, behoeven dan ook niet in de beoordeling te worden betrokken.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel II van het middel klaagt onder meer dat de rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan art. 422 Rv Pro en ten onrechte de door betrokkene na cassatie en terugwijzing ingenomen standpunten niet in de beoordeling heeft betrokken. De aard van de door de rechter in Wvggz-zaken te nemen beslissing brengt mee dat de rechtbank na terugwijzing het geschil in volle omvang moet behandelen. De betrokkene mag na cassatie en terugwijzing dan ook nieuwe standpunten innemen, aldus de klacht.
3.2
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad onder de Wet Bopz (oud) volgt dat ingeval na cassatie en verwijzing opnieuw moet worden beslist over de verlening van een machtiging op een tijdstip dat binnen de geldigheidsduur van de (opnieuw) te verlenen machtiging valt, de rechtbank haar beslissing dient te nemen op basis van de feiten en omstandigheden die zich ten tijde van die beslissing voordoen (beoordeling ‘ex nunc’). Indien echter ten tijde van de beoordeling na cassatie en terugwijzing de bij de vernietigde beslissing gegeven machtiging inmiddels is vervallen, moet de rechtbank beoordelen of op het tijdstip dat de vernietigde beslissing werd gegeven voldoende grond bestond voor het verlenen van de verzochte machtiging (beoordeling ‘ex tunc’). [3] Deze rechtspraak geldt ook onder de Wvggz.
3.3
Ten tijde van de beoordeling na cassatie en terugwijzing was de bij de vernietigde beslissing gegeven machtiging inmiddels vervallen (zie hiervoor in 2.1 onder (ii) en (v)). Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen niet miskend. Hierop stuit de hiervoor in 3.1 weergegeven klacht af.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak, als voorzitter, de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
18 november 2022.

Voetnoten

1.HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:123.
2.Rechtbank Den Haag 23 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2619.
3.Vgl. voor een en ander HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1202, rov. 3.1.2-3.1.3.