ECLI:NL:HR:2022:1793
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voortzettingsvereiste bij verhuur van onderneming in bedrijfsopvolgingsregeling
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de Successiewet 1956, specifiek artikel 35e, lid 1, aanhef en letter c, ten derde, en het voortzettingsvereiste bij verhuur van een onderneming.
Belanghebbende had aandelen in een holding ontvangen die eigenaar was van een benzineservicestation. Deze was voorheen zelf geëxploiteerd door een dochtermaatschappij, maar werd vervolgens verhuurd aan een derde partij. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag schenkbelasting op omdat hij meende dat het voortzettingsvereiste niet was voldaan.
Het Hof oordeelde dat verhuur van de onderneming niet leidt tot staking of overdracht, en dat het voortzettingsvereiste daardoor is voldaan. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het leerstuk van voortgezet ondernemerschap uit de Wet IB 2001 als uitgangspunt geldt voor de BOR, tenzij bijzondere omstandigheden een uitzondering rechtvaardigen.
De Hoge Raad verwerpt het argument dat het voortzettingsvereiste strikter moet worden uitgelegd en oordeelt dat de verhuur van de onderneming niet leidt tot intrekking van de voorwaardelijke vrijstelling. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag blijft buiten toepassing.