ECLI:NL:HR:2022:1795
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Termijn voor verzoek om ambtshalve vermindering bij navorderingsaanslag na vijfjaarstermijn
Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag opgelegd over het jaar 2013, inclusief een vergrijpboete en belastingrente. Tegen deze aanslag maakte belanghebbende bezwaar en verzocht om ambtshalve vermindering, maar dit verzoek werd afgewezen omdat het na de wettelijke termijn was ingediend.
Het Hof bevestigde deze afwijzing en stelde dat het verzoek om ambtshalve vermindering binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft, moet worden ingediend. Omdat de navorderingsaanslag na deze termijn werd opgelegd, was het verzoek niet ontvankelijk.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de termijn niet van toepassing zou zijn indien de aanslag na afloop van de termijn werd opgelegd. De Hoge Raad benadrukte dat de termijnkeuze van de regelgever niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat belanghebbende andere rechtsmiddelen heeft tegen de navorderingsaanslag.
De Hoge Raad wees ook op een eerder arrest waarin een tijdig verzonden verzoek door omstandigheden buiten de schuld van belanghebbende te laat werd ontvangen, wat hier niet aan de orde was.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn.