ECLI:NL:HR:2022:1814

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 december 2022
Publicatiedatum
2 december 2022
Zaaknummer
21/00666
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.1 WVW 1994Art. 408 lid 1 sub a SvArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatie tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens te late indiening bij rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor rijden tijdens ontzegging van de rijbevoegdheid op grond van artikel 9.1 van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingesteld, conform artikel 408 lid 1 sub a van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het hoger beroep te laat was ingesteld, aangezien hij zelf tijdig het hoger beroep had ingesteld. Tevens werd aangevoerd dat het hof het vonnis van de rechtbank nietig had moeten verklaren omdat uit de processtukken niet blijkt dat de uitspraak in eerste aanleg in het openbaar heeft plaatsgevonden en het proces-verbaal van de zitting ontbreekt.

De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht te beantwoorden. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof dat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/00666
Datum20 december 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 februari 2021, nummer 21-004654-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 december 2022.