Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
13 december 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een bedreiging met een mes tegen het leven gericht, gepleegd op 9 mei 2019 in een parkeerkelder te [plaats]. Verdachte werd ervan beschuldigd het slachtoffer met een groot mes te hebben bedreigd door het mes tegen diens keel te houden en te zeggen: 'Ik maak je dood'.
Het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde het feit bewezen en veroordeelde verdachte voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte ontkende echter dat hij het mes tegen de keel van het slachtoffer heeft gehouden, maar het hof oordeelde dat verdachte het feit had bekend. Het hof volstond daarom met een opgave van bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigen en verbalisanten, en een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlage.
In cassatie klaagde verdachte terecht over het oordeel dat hij het feit had bekend, omdat hij dit ontkend had. De Hoge Raad oordeelde echter dat het ontbreken van een redelijk belang bij deze klacht en de uitgebreide motivering van het hof met redengevende feiten en omstandigheden de bewijsvoering voldoende maakt volgens artikel 359 lid 3 Sv Pro. De overige cassatiemiddelen werden eveneens verworpen.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en verwierp het cassatieberoep, waarmee de bewezenverklaring en veroordeling van verdachte stand hield.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt bekrachtigd.