Belanghebbende, een B.V., maakte bezwaar tegen de belastingrente die de Belastingdienst in rekening bracht over de vennootschapsbelastingjaren 2015 en 2016. Het geschil betrof de vraag of belastingrente terecht werd berekend over een periode waarin de Belastingdienst al beschikte over het te betalen belastingbedrag vanwege betaling van eerdere voorlopige aanslagen.
De Rechtbank Noord-Holland oordeelde dat de belastingrente terecht was berekend. Belanghebbende stelde hiertegen cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal concludeerde tot gegrondverklaring van het beroep, verwijzend naar het arrest van 18 november 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1673) dat een vergelijkbare kwestie behandelde.
De Hoge Raad volgde de conclusie van de Advocaat-Generaal en vernietigde het vonnis van de Rechtbank. De zaak werd verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding en tot vergoeding van het betaalde griffierecht aan belanghebbende.