ECLI:NL:HR:2022:1673
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beperking belastingrente bij betaling voorlopige aanslag in vennootschapsbelasting
In deze zaak staat de berekening van belastingrente over een periode centraal waarin de Belastingdienst al beschikte over het te betalen belastingbedrag door betaling van een eerdere voorlopige aanslag. Belanghebbende, een vennootschap, had meerdere voorlopige aanslagen vennootschapsbelasting voor 2016 ontvangen en betaald. Na een boekenonderzoek volgde een herziene aanslag met belastingrente over een periode die deels samenviel met de periode waarin al een eerdere voorlopige aanslag was betaald.
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat de belastingrente terecht was berekend over de gehele periode, inclusief de periode waarin het bedrag al was betaald. De Hoge Raad stelde echter vast dat dit leidt tot een onaanvaardbare afwijking van de verzuimrenteregeling in de Algemene wet bestuursrecht, die uitgaat van rentevergoeding bij te late betaling van een nog openstaande hoofdsom.
De Hoge Raad concludeerde dat belastingrente niet verschuldigd is over perioden waarin de Belastingdienst al over het belastingbedrag beschikte. Daarom werd de belastingrente verminderd tot het deel van de periode na de betaling van de eerdere voorlopige aanslag. De uitspraak van het Hof werd vernietigd voor zover het de belastingrente betreft, en de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Belastingrente wordt beperkt tot de periode na betaling van de eerste voorlopige aanslag en verminderd tot € 704.