ECLI:NL:HR:2022:19
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake vennootschapsbelasting 2002
Belanghebbende, een besloten vennootschap, stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 november 2019. Dit arrest betrof het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over de aan belanghebbende opgelegde aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2002, inclusief een beschikking op grond van artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de heffingsrente.
De Hoge Raad heeft de ingediende middelen tegen het arrest van het Hof beoordeeld en geoordeeld dat deze middelen niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de beoordeling geen vragen betrof die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, op 14 januari 2022.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.