Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 december 2022.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de vraag welke verjaringstermijn van toepassing is op vergoedingsrechten die voortvloeien uit huwelijkse voorwaarden tussen echtgenoten. De man vorderde betaling van een bedrag wegens investeringen in een gezamenlijke woning, waarbij de vrouw verjaring als verweer voerde.
De rechtbank en het hof wezen de vordering toe en oordeelden dat de algemene verjaringstermijn van twintig jaar (art. 3:306 BW Pro) geldt, en niet de kortere termijnen van vijf jaar zoals genoemd in art. 3:307 lid 1 BW Pro en aanverwante bepalingen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst op de bijzondere aard van de rechtsverhouding tussen echtgenoten, die zich verzet tegen toepassing van kortere verjaringstermijnen.
De Hoge Raad benadrukt dat de wetgever bewust heeft afgezien van het opnemen van korte verjaringstermijnen voor vergoedingsrechten tussen echtgenoten, mede vanwege de mogelijke verstoring van het huwelijk door vroegtijdige rechtsmaatregelen. De uitspraak bevestigt dat de algemene termijn van twintig jaar van toepassing is, met een verlenging van zes maanden na beëindiging van het huwelijk.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de man en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de algemene verjaringstermijn van twintig jaar geldt voor vergoedingsrechten uit huwelijkse voorwaarden en verwerpt het cassatieberoep.