ECLI:NL:GHARL:2021:3040
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over investeringsvergoeding en huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de man de helft van de overwaarde van €152.800,08, voortkomend uit de verkoop van een woning, aan de vrouw moest betalen op grond van hun huwelijkse voorwaarden. Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden die elke gemeenschap van goederen uitsloten en bepaalden dat goederen en schulden aan de betreffende echtgenoot toebehoren.
De vrouw vorderde betaling van €76.400,04, de helft van de overwaarde, minus een reeds toegewezen vordering van de man van €20.000,- wegens overbedeling. De man stelde zich primair op het standpunt dat de vordering verjaard was en subsidiair dat de redelijkheid en billijkheid en onvoorziene omstandigheden toepassing behoefden, waardoor de huwelijkse voorwaarden niet strikt gevolgd hoefden te worden.
Het hof oordeelde dat de vordering niet verjaard was omdat de algemene verjaringstermijn van 20 jaar geldt en dat het beroep op redelijkheid en billijkheid en onvoorziene omstandigheden faalde. De huwelijkse voorwaarden waren bewust overeengekomen en mochten niet worden vervangen door een regeling alsof partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd. De man moest daarom het gevorderde bedrag aan de vrouw betalen, met verrekening van zijn vordering.
Het hof vernietigde het dictum van de rechtbank voor zover het onjuist was, bekrachtigde het vonnis voor het overige en compenseerde de kosten van het hoger beroep tussen partijen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 30 maart 2021.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de man af en veroordeelt hem tot betaling van €76.400,04 aan de vrouw, met verrekening van €20.000,-.