ECLI:NL:HR:2022:1939
Hoge Raad
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens ontbreken verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie
Verzoeker heeft bij de Hoge Raad een wrakingsverzoek ingediend tegen een lid van de Hoge Raad in een strafzaak waarin hij in cassatie ging. De Hoge Raad heeft verzoeker erop gewezen dat hij zich in cassatie moet laten vertegenwoordigen door een advocaat en dat het ontbreken daarvan betekent dat hij niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.
Verzoeker heeft vervolgens verzocht om wraking van de voorzitter van de Hoge Raad in die zaak. Het lid van de Hoge Raad tegen wie het verzoek was gericht, heeft aangegeven niet in de wraking te zullen berusten en af te zien van een hoorzitting.
De Hoge Raad heeft verzoeker vervolgens een mogelijkheid geboden om het verzuim te herstellen door zich alsnog door een advocaat te laten vertegenwoordigen binnen twee weken. Verzoeker heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
De Hoge Raad oordeelt dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is omdat de verplichte procesvertegenwoordiging ontbreekt, conform artikel 437 en Pro 438 Sv. De beslissing is genomen door de president, vicepresident en raadsheer en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2022.
Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk wegens ontbreken van verplichte advocaatvertegenwoordiging.