Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:1939

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 december 2022
Publicatiedatum
22 december 2022
Zaaknummer
22/04617
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 438 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens ontbreken verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie

Verzoeker heeft bij de Hoge Raad een wrakingsverzoek ingediend tegen een lid van de Hoge Raad in een strafzaak waarin hij in cassatie ging. De Hoge Raad heeft verzoeker erop gewezen dat hij zich in cassatie moet laten vertegenwoordigen door een advocaat en dat het ontbreken daarvan betekent dat hij niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.

Verzoeker heeft vervolgens verzocht om wraking van de voorzitter van de Hoge Raad in die zaak. Het lid van de Hoge Raad tegen wie het verzoek was gericht, heeft aangegeven niet in de wraking te zullen berusten en af te zien van een hoorzitting.

De Hoge Raad heeft verzoeker vervolgens een mogelijkheid geboden om het verzuim te herstellen door zich alsnog door een advocaat te laten vertegenwoordigen binnen twee weken. Verzoeker heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

De Hoge Raad oordeelt dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is omdat de verplichte procesvertegenwoordiging ontbreekt, conform artikel 437 en Pro 438 Sv. De beslissing is genomen door de president, vicepresident en raadsheer en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2022.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk wegens ontbreken van verplichte advocaatvertegenwoordiging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
VIERDE KAMER
Nummer22/04617
Datum23 december 2022
BESLISSING
in de zaak van
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker)
betreffende het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van het hierna aan te duiden lid van de Hoge Raad.

1.De procedure

1.1
Verzoeker heeft bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de strafkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 22/03275. Bij brief van 15 november 2022 is aan verzoeker bericht dat de Hoge Raad zijn cassatieberoep in behandeling zal nemen op dinsdag 6 december 2022 om 12:30 uur en dat de Hoge Raad naar verwachting op die dag uitspraak zal doen. In de brief staat tevens dat is geconstateerd dat geen schriftuur met middelen van cassatie is ingediend door een advocaat, en dat dit zou betekenen dat verzoeker niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.
1.2
Bij op 5 december 2022 bij de Hoge Raad ingekomen e-mail heeft verzoeker bericht dat hij de wraking verzoekt van “de voorzitter van de Hoge Raad in zaak S 22/03275 B”. Dit verzoek is bij de Hoge Raad ingeschreven onder nummer 22/04617. Het lid van de Hoge Raad tegen wie het verzoek is gericht, heeft meegedeeld dat, indien dit verzoek als een wraking wordt aangemerkt, niet in de wraking wordt berust en wordt afgezien van de mogelijkheid te worden gehoord.
1.3
Bij aangetekende brief van 8 december 2022 heeft een waarnemend griffier van de Hoge Raad aan verzoeker gelegenheid gegeven een verzuim in het verzoek te herstellen, door zich binnen twee weken na dagtekening van de brief door een advocaat te laten vertegenwoordigen ter zake van zijn verzoek. Een stelbericht van de advocaat diende op uiterlijk 22 december 2022 te zijn ontvangen. Van deze gelegenheid heeft verzoeker geen gebruik gemaakt.

2.Beoordeling van het verzoek

2.1
In cassatie geldt in strafzaken dat een verdachte dient te zijn vertegenwoordigd door een voor die verdachte optredende advocaat. Dit volgt onder meer uit artikel 437, lid 2, Sv en artikel 438, lid 2 onder a, Sv. De wet maakt voor het doen van een wrakingsverzoek geen uitzondering op deze verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie. [1]
2.2
Nu verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat ter zake van zijn verzoek, kan hij niet worden ontvangen in zijn verzoek.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beslissing is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresident M.J. Kroeze en de raadsheer G.C. Makkink, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A. Woller-van Welie, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2022.

Voetnoten

1.HR 23 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6270, rechtsoverwegingen 3.2 en 3.3.