Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Utrecht,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 december 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak vorderen verzoekers dat Rabobank de bijzonderheidscoderingen in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) verwijdert en verwijderd houdt. Rabobank had deze coderingen geregistreerd naar aanleiding van een consumptief krediet en een betaalrekening van verzoekers. De rechtbank en het hof wezen het verzoek af, waarbij het hof oordeelde dat de registratie plaatsvond op grond van een wettelijke plicht zoals bedoeld in art. 6 lid 1 onder Pro c AVG, waardoor het recht op gegevenswissing en bezwaar niet van toepassing zou zijn.
De Hoge Raad stelt echter vast dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd. In een prejudiciële beslissing van december 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de verwerking van persoonsgegevens in het CKI niet kan worden gebaseerd op art. 6 lid 1 onder Pro c AVG, maar moet worden getoetst aan art. 6 lid 1 onder Pro f AVG. Dit betekent dat verzoekers wel aanspraak kunnen maken op het recht op gegevenswissing (art. 17 AVG Pro) en het recht van bezwaar (art. 21 AVG Pro).
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing over de rechten van verzoekers. Tevens veroordeelt de Hoge Raad Rabobank in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor herbeoordeling over het recht op gegevenswissing en bezwaar.