Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende in [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
18 februari 2022.
Hoge Raad
Op 18 augustus 2011 liep verzoekster in Curaçao oogletsel op door een handgemeen met verweerder. Het gerecht stelde verweerder aansprakelijk en veroordeelde hem tot schadevergoeding, die moest worden vastgesteld in een schadestaatprocedure.
Verzoekster vorderde vergoeding van onder meer gederfde inkomsten, kosten huishoudelijke hulp, zaalhuur en lesgeld. Het hof wees deze vorderingen af, onder meer wegens onvoldoende onderbouwing en stelplicht. Verzoekster stelde dat het hof te hoge eisen stelde aan haar bewijs en dat de rechter de schade op grond van artikel 6:97 BW Pro Curaçao (BWC) had moeten schatten.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn taak had miskend door te hoge eisen te stellen aan de stelplicht en onvoldoende rekening te houden met de bijzondere omstandigheden, zoals het feit dat verweerder de mogelijkheid tot bewijslevering heeft ontnomen. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte de kosten van huishoudelijke hulp niet had toegekend, ondanks dat deze door niet-professionele hulpverleners werden verricht. Daarnaast was het hof onjuist geweest door de schadebeperkingsplicht te betrekken bij de afwijzing van de kosten zaalhuur en lesgeld, terwijl verweerder dit niet had aangevoerd.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van het hof en verwees de zaak terug voor nadere behandeling en beslissing, waarbij het hof de schade, al dan niet na nadere instructie, op de voet van artikel 6:97 BWC Pro moet schatten en beoordelen.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het vonnis van het hof en wijst de zaak terug voor nadere behandeling en schatting van de schade.