Uitspraak
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
18 februari 2022.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de vraag of een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden wegens bedrijfseconomische omstandigheden (de a-grond) als de werknemer ziek wordt nadat de werkgever een ontslagaanvraag bij het UWV heeft ingediend, maar voordat het ontbindingsverzoek bij de kantonrechter is ontvangen.
De werkgever, actief in standbouw, vroeg in juni 2020 toestemming aan het UWV om de arbeidsovereenkomst van een werknemer te beëindigen wegens bedrijfseconomische redenen. Het UWV wees dit verzoek in oktober 2020 af. Kort daarna meldde de werknemer zich ziek. De werkgever verzocht vervolgens in november 2020 de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werknemer stelde dat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing was, waardoor ontbinding niet mogelijk was. De kantonrechter wees het verzoek af.
De Hoge Raad oordeelt dat het opzegverbod tijdens ziekte niet geldt indien de ziekte is ingetreden na ontvangst van de ontslagaanvraag door het UWV, ook als de ziekte plaatsvindt vóór het ontbindingsverzoek bij de kantonrechter. De ontbindingsprocedure is een zelfstandige procedure, maar nauw verbonden met de UWV-procedure. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van de kantonrechter en bevestigt dat ontbinding mogelijk is in de onderhavige situatie.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van art. 7:670 lid 1 onder Pro b BW en art. 7:671b lid 2 en 7 BW, en voorkomt dat werknemers het ontslag kunnen frustreren door zich na een afgewezen UWV-aanvraag ziek te melden. Dit sluit aan bij de bedoeling van de wetgever om oneigenlijk gebruik van het opzegverbod tijdens ziekte tegen te gaan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de kantonrechter en bevestigt dat ontbinding op de a-grond mogelijk is als de werknemer ziek wordt na de ontslagaanvraag bij het UWV maar vóór het ontbindingsverzoek bij de kantonrechter.