ECLI:NL:HR:2022:309

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 februari 2022
Publicatiedatum
24 februari 2022
Zaaknummer
21/00796
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:246 BWArt. 7:262 lid 2 BWArt. 7:265 BWArt. 11 lid 4 UHWArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over huurprijs boven liberalisatiegrens en rechtsmiddelenverbod

In deze zaak stond centraal of de kantonrechter buiten het toepassingsgebied van de artikelen 7:246-265 BW en artikel 11 lid 4 van Pro de Uitvoeringswet huurprijzen woningcorporaties (UHW) was getreden door een huurprijs boven de liberalisatiegrens vast te stellen. De kantonrechter te Almere had in vonnissen van 27 maart 2019 en 18 september 2019 een huurprijs vastgesteld die hoger lag dan de liberalisatiegrens.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde dit oordeel in zijn arrest van 24 november 2020. Tegen dit arrest stelden eisers cassatieberoep in bij de Hoge Raad, terwijl verweerders voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelden. De Hoge Raad heeft de klachten van het cassatieberoep beoordeeld maar deze niet ontvankelijk verklaard, omdat zij niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.

De Hoge Raad stelt dat het niet nodig is om de klachten inhoudelijk te motiveren omdat deze geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht oproepen, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het voorwaardelijk incidentele beroep behoeft daarom geen behandeling. De Hoge Raad veroordeelt eisers in de kosten van het cassatiegeding.

Het arrest is gewezen door de raadsheren Tanja-van den Broek (voorzitter), Lock en Salomons en in het openbaar uitgesproken door Wattendorff op 25 februari 2022.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof over de huurprijs boven de liberalisatiegrens.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/00796
Datum25 februari 2022
ARREST
In de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: [eisers],
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
advocaat: K. Aantjes.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak 7149912 MC EXPL 18-6899 van de kantonrechter te Almere van 27 maart 2019 en 18 september 2019;
het arrest in de zaak 200.271.820/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 november 2020.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 421,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
25 februari 2022.