Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 januari 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2020, waarin hij werd veroordeeld voor poging tot diefstal door middel van verbreking, zoals bedoeld in artikel 311, lid 1, sub 5 van het Wetboek van Strafrecht.
Namens verdachte heeft advocaat V.P.J. Tuma het cassatiemiddel ingediend, maar de advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het beroep is derhalve verworpen en de straf van twee maanden gevangenisstraf blijft gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf van twee maanden gevangenisstraf blijft gehandhaafd.