ECLI:NL:HR:2022:325

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 februari 2022
Publicatiedatum
25 februari 2022
Zaaknummer
20/02103
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging arrest over bijdrage na opzegging lidmaatschap vereniging kaveleigenaren

In deze zaak stond centraal of een kaveleigenaar na het opzeggen van zijn lidmaatschap van een vereniging van kaveleigenaren nog gehouden is tot het betalen van een bijdrage. De eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin werd geoordeeld dat de bijdrage verschuldigd blijft ondanks de opzegging.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten tegen het arrest van het hof niet leiden tot vernietiging. De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de rechtsvragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het beroep werd verworpen en de eiser werd veroordeeld in de proceskosten van het geding in cassatie. De uitspraak werd gedaan door de vicepresident en vijf raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer. Hiermee is het arrest van het hof bekrachtigd en blijft de bijdrageplicht van de kaveleigenaar na opzegging gehandhaafd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/02103
Datum25 februari 2022
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: B.I. Kraaipoel,
tegen
[de vereniging],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [de vereniging],
advocaat: M.W. Scheltema.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C02/318442 / HA ZA 16-529 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 september 2016, 4 januari 2017 en 31 mei 2017;
het arrest in de zaak 200.224.034/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 april 2020.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[de vereniging] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [eiser] mede door S.E. Streng.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de vereniging] begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
25 februari 2022.