Conclusie
adv.: mr. B.I. Kraaipoel
adv.: mr. M.W. Scheltema
1.Feiten en procesverloop
[A]), die de landtong in 1983 heeft verkaveld en omgevormd tot [het recreatiepark] Put (hierna te noemen:
[het recreatiepark]).
de toegangsweg).
de ontsluitingsweg).
de beheerkosten) en voor het gebruik van de door [de vereniging] geëxploiteerde nutsvoorzieningen op [het recreatiepark] (hierna:
de verbruikskosten).
de niet-leden). Aan de niet-leden heeft [de vereniging] een overeenkomst aangeboden voor het doorbelasten van de kosten van beheer en verbruik op basis van een met behulp van een deskundige opgesteld model (hierna te noemen:
de modelovereenkomst). [7] Geen van de niet-leden heeft de modelovereenkomst aanvaard.
[de vereniging] c.s.) [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, locatie Breda. [de vereniging] c.s. heeft – na vermindering van eis [9] en samengevat – gevorderd:
beheerkosten(rov. 4.2);
Baris/Riezenkamp [21] ) (rov. 4.6);
Quint/Te Poel [22] ) (rov. 4.7);
VvE) als bedoeld in art. 5:124 BW Pro. Art. 5:125 lid 2 BW Pro bepaalt dat iedere appartementseigenaar van rechtswege lid is van de VvE, welk lidmaatschap pas van rechtswege eindigt wanneer een lid ophoudt appartementseigenaar te zijn. Elk lid is gehouden de bijdragen te voldoen aan de VvE, zoals deze door de VvE wordt vastgesteld. De VvE is wettelijk slechts voorzien voor appartementseigenaren. Voor de situatie die zich in het onderhavige geval voordoet is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een lacune in de wet. Het ligt voor de hand bij de bepaling van hetgeen rechtens geldt tussen [de vereniging] en de niet-leden een zekere mate van reflexwerking toe te kennen aan het bepaalde in afdeling 2 van titel 9 van Boek 5 BW (rov. 4.8);
verbruikskosten(rov. 4.10);
hoogte: de eisen van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat de niet-leden in beginsel gehouden zijn op gelijke wijze bij te dragen in de kosten die [de vereniging] maakt voor het behoud van de basisinfrastructuur als de leden. [de vereniging] heeft eveneens het recht om voor het gebruik van de nutsvoorzieningen die zij aanbiedt een vergoeding te verlangen van de niet-leden die gelijk is aan de vergoeding die zij vraagt aan haar leden (rov. 4.17-4.18);
posten: voor zover [het recreatiepark] [24] kosten zou maken voor andere voorzieningen dan die tot de basisinfrastructuur zouden kunnen worden gerekend, bestaat geen grondslag om deze kosten aan de niet-leden in rekening te brengen. Tot de basisinfrastructuur moet in het onderhavige geval in beginsel alle activiteiten en diensten worden gerekend die worden ontplooid ten behoeve van het bevorderen van een normaal recreatief gebruik van de kavels en een normale bewoning van de zich op de kavels bevindende chalets/woningen. Tot de basisinfrastructuur kunnen in beginsel niet worden gerekend voorzieningen welke – zelfs als zij op zichzelf niet ongebruikelijk zijn op een recreatiepark – niet tot voornoemde basisvoorzieningen kunnen worden gerekend, zoals een zwembad, een activiteitencentrum, een restaurant en zo meer (vgl. hof ’s-Hertogenbosch 19 april 2011 [25] ) (rov. 4.19-4.20);
nietaan de niet-leden worden doorbelast:
- i) gehouden is om aan [de vereniging] een redelijke vergoeding te betalen als bijdrage in de door [de vereniging] te maken totale beheerkosten voor het in stand houden van de basisinfrastructuur ter plaatse, alsmede voor de verbruikskosten voor nutsvoorzieningen (waaronder in het bijzonder drinkwater); en
- ii) jaarlijks gehouden is tot het doen van voorschotbetalingen aan [de vereniging] voor de beheer- en verbruikskosten, ter grootte van het bedrag van de laatst berekende definitieve jaarafrekening voor beheer- en verbruikskosten voor [eiser] , waarbij de beheer- en de verbruikskosten dienen te worden berekend volgens dezelfde methodiek en op basis van dezelfde tarieven/kosten die [de vereniging] aan haar leden in rekening brengt, met de beperking dat voor de beheerkosten alleen de posten die betrekking hebben op de instandhouding van de basisinfrastructuur kunnen worden doorbelast, een en ander thans conform rechtsoverweging 4.19 tot en met 4.22, alsmede dat daartoe uiteindelijk moet worden bijgedragen op basis van de definitieve jaarafrekening voor beheer- en verbruikskosten,
Al met al heeft [de vereniging] sinds haar oprichting ten behoeve van de kaveleigenaren vele voorzieningen gerealiseerd en worden die voorzieningen van jaar tot jaar door [de vereniging] ten behoeve van de kaveleigenaren beheerd.
2.Juridisch kader
free riders”genoemd), bemoeilijkt dit een goed parkmanagement. [33] In deze situaties rijst dan ook de vraag of de niet-leden, ondanks de rechtsgeldige opzegging van het lidmaatschap, toch moeten bijdragen aan de kosten van het door de vereniging uitgevoerde parkmanagement. [34]
onder (iii)geldt dat niet de beperking kan worden gesteld dat de verrijking ‘onmiddellijk’ ten laste van het vermogen van de verarmde heeft plaatsgevonden. Er hoeft dus geen
directverband tussen de verrijking en de verarming te bestaan. [40]
onder (iv)geldt dat een verrijking niet ongerechtvaardigd is indien de verrijking het gevolg is van een rechtshandeling of als de verrijking wordt gesanctioneerd door de wet. [41]
het beloop der verrijking. In de tweede plaats behoeft de schuldenaar, ook al is zijn verrijking ongerechtvaardigd, de schade van de ander slechts te vergoeden
voor zover dit redelijk is. Dit geeft de rechter de mogelijkheid om alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en in verband daarmee de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen. Aldus kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat een verrijkte een aan hem, buiten zijn toedoen,
opgedrongenverrijking zou moeten vergoeden. [43]
enge opvatting); of
ruime opvatting). [44]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iis gericht tegen oordelen van het hof in rov. 4.2-4.3 van het arrest.
Onderdeel II, dat bestaat uit de subonderdelen IIa en IIb, heeft betrekking op oordelen van het hof in rov. 4.4-4.10.
Onderdeel IIIkeert zich tegen oordelen van het hof in rov. 4.5-4.10 van het arrest.
in de eerste plaats(procesinleiding, nrs. 1.3-1.6) aangevoerd dat, anders dan uit de overwegingen van het hof volgt, de uitleg van het begrip ‘basisinfrastructuur’ juist wél onderwerp van geschil was. [eiser] heeft immers in hoger beroep meerdere grieven gericht tegen de omissie van de rechtbank om het begrip ‘kosten instandhouding basisinfrastructuur’ te motiveren of te specificeren. [51]
totalebeheerkosten voor het in stand houden van de basisinfrastructuur. [eiser] heeft immers aangevoerd enkel een bijdrage te hoeven leveren voor zover hij ook daadwerkelijk gebruik maakte van een voorziening die valt onder het begrip basisinfrastructuur en dat per voorziening onderzocht diende te worden of hij hier wel gebruik van maakte en wat de daadwerkelijke kosten hiervan waren. [52] Volgens het onderdeel is de uitleg van de gedingstukken door het hof in het licht van de stellingen van [eiser] dan ook onbegrijpelijk.
een vergoedingdient te betalen aan [de vereniging] voor
bepaaldedoor [de vereniging] te maken kosten, namelijk de kosten die zien op de instandhouding van de basisinfrastructuur en de verbruikskosten voor nutsvoorzieningen. Deze vaststelling is niet onbegrijpelijk. [eiser] heeft elders in zijn memorie van grieven bij herhaling gesteld een redelijke vergoeding verschuldigd te zijn voor beheerkosten betreffende “de basisinfrastructuur”, bestaande uit de voorzieningen die gebruikelijk zijn en naar hedendaagse maatstaven voor een normale bewoning niet goed gemist kunnen worden. [54]
inhoud/omvangvan het begrip ‘basisinfrastructuur’ en over de vraag of [eiser] gehouden is bij te dragen aan de kosten met betrekking tot
allevoorzieningen die vallen onder het begrip basisinfrastructuur (ook de voorzieningen waarvan hij geen gebruik maakt). Op deze twee verweren van [eiser] is het hof immers in rov. 4.5-4.8 van het arrest ingegaan.
hoofdklachtaan dat het oordeel van het hof in rov. 4.4-4.10 onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat het hof de vordering van [de vereniging] niet (kenbaar) aan de vereisten van ongerechtvaardigde verrijking heeft getoetst.
vijf klachten. Deze klachten blijken zich voornamelijk te richten tegen rov. 4.4 van het arrest.
eerste klacht(p.i., nr. 2.3) luidt dat het hof, indien het met zijn overweging in rov. 4.4 (laatste zin) heeft geoordeeld dat de rechtbank en het hof dezelfde maatstaf hebben gehanteerd, heeft miskend dat de rechtbank de vordering van [de vereniging] heeft beoordeeld en toegewezen op grond van de redelijkheid en billijkheid, terwijl het hof zelf overweegt dat het gaat om een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.
ten derde(p.i., nr. 2.4) aan dat, als het hof meent dat in de omstandigheden van het specifieke geval niet aan de eisen uit art. 6:212 BW Pro hoeft te worden getoetst, het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Als het hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting dan is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd, aangezien uit de uitspraak niet blijkt dat en hoe het hof heeft getoetst aan de criteria voor ongerechtvaardigde verrijking. [55]
vijfde klacht(p.i., nr. 2.13) is onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat de toewijzing op grond van de redelijkheid en billijkheid door de rechtbank in de kern neerkomt op dezelfde maatstaf als ongerechtvaardigde verrijking, omdat (i) de stelplicht (en bewijslast) voor de ongerechtvaardigde verrijking op [de vereniging] rust, [59] (ii) [de vereniging] slechts een begroting heeft overgelegd, terwijl [eiser] uitvoerig verweer heeft gevoerd ten aanzien van alle daarin opgenomen kosten, en (iii) de rechtbank de vordering van [de vereniging] op grond van ongerechtvaardigde verrijking heeft afgewezen omdat [de vereniging] hiervoor onvoldoende had gesteld. [60] Volgens het subonderdeel lijkt het erop dat het hof het oordeel van de rechtbank heeft ‘herverpakt’ met het label ongerechtvaardigde verrijking, hetgeen onbegrijpelijk is.
in redelijkheidgehouden is deze kosten aan [de vereniging] te betalen, moet worden gelezen in het licht van het voor een beroep op ongerechtvaardigde verrijking geldende vereiste dat de schade moet worden vergoed
voor zover dit redelijk is(zie ook hiervoor onder 2.12). Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof zijn oordeel in werkelijkheid heeft gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid (de
tweede klacht), faalt het derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
ongerechtvaardigdzou zijn als een van de eigenaren zich door opzegging van het lidmaatschap van [de vereniging]
aan betaling van deze kosten zou kunnen onttrekken, maar daarvan desondanks zou blijven
profiteren. Daarmee heeft het hof geoordeeld dat aan de vier hiervoor (onder 2.6) genoemde vereisten voor een beroep op ongerechtvaardigde verrijking is voldaan.
derde klachtuit subonderdeel IIa niet kan slagen.
eersteen de
vijfde klachtvan het subonderdeel falen derhalve.
ter zake van de facturen, en niet op de gevorderde verklaringen voor recht.
vierde klachtuit subonderdeel IIa, waarmee – zo begrijp ik – wordt geklaagd dat het hof ten onrechte niet
per afzonderlijke postheeft getoetst of sprake is van een verrijking van [eiser] , alsmede dat het hof heeft miskend dat het niet redelijk is dat een vergoeding moet worden betaald voor een
opgedrongenverrijking.
hoofdklachtdat het oordeel van het hof in rov. 4.5-4.10 onjuist, dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is, omdat het hof niet heeft gekeken naar de concrete omstandigheden voor de vraag welke kosten [eiser] dient te vergoeden.
in de eerste plaats(p.i., nrs. 3.2-3.3) aan dat het hof, in plaats van inhoudelijk te toetsen aan de vereisten voor ongerechtvaardigde verrijking, niet verder is gekomen dan een hypothetische redenering in rov. 4.4 (dat het ongerechtvaardigd zou zijn dat eigenaren zich door opzegging van het lidmaatschap aan betaling van de kosten zouden kunnen onttrekken en desondanks zouden blijven profiteren). Bij een inhoudelijke beoordeling op grond van art. 6:212 BW Pro zou duidelijk zijn geworden welke kosten kwalificeren als een verarming van [de vereniging] en een verrijking van [eiser] . Het hof had dan niet tot de conclusie kunnen komen dat [eiser] gehouden is een bedrag (bijna) even hoog als de ledencontributie te betalen. Van een aantal posten op de door [de vereniging] overgelegde begroting kan namelijk worden uitgesloten dat deze kwalificeren als een verrijking van [eiser] . Gedacht kan worden aan de voorzieningen waar [eiser] geen gebruik van mag maken (zoals de beveiliging [63] ), de juridische kosten die [de vereniging] heeft gemaakt in de procedures tegen de niet-leden [64] , door het bestuur gedeclareerde lunches [65] , de (advies)kosten ten aanzien van het stabilisatieproject van de landtong [66] , administratiekosten die zijn gemaakt voor leden [67] en afschrijvingen [68] .
tweede klacht) is volgens het subonderdeel onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.5 oordeelt dat als [de vereniging] besluit dat de werkzaamheden ten aanzien van de stabilisatie van de landtong noodzakelijk zijn in het belang van alle eigenaren, daarmee vaststaat dat alle daaraan verbonden kosten voor rekening komen van de eigenaren. Het hof neemt hierbij ten onrechte aan dat niet-leden gebonden kunnen worden (geacht) aan de besluiten van [de vereniging] . Als niet-leden al gebonden kunnen worden aan interne besluitvorming van [de vereniging] , is het onbegrijpelijk dat het hof het uitvoerige verweer van [eiser] op dit punt onbehandeld heeft gelaten en niet heeft gemotiveerd waarom ook deze kosten vallen onder de basisinfrastructuur waaraan [eiser] een bijdrage zou dienen te leveren. Dit verweer komt, samengevat, op het volgende neer:
omvangvan de schadevergoedingsplicht van [eiser] jegens [de vereniging] .
ruime opvattingmet betrekking tot de omvang van de schadevergoedingsplicht op grond van ongerechtvaardigde verrijking: de verrijking omvat alle voorzieningen die beschikbaar zijn, ongeacht of deze door de niet-leden worden benut.
mogenmaken van bepaalde voorzieningen. Dat heeft het hof echter niet miskend. Het hof overweegt in rov. 4.7 immers uitdrukkelijk dat kosten van voorzieningen waarvan [eiser] geen gebruik mag maken niet vallen onder het dictum van het eindvonnis van de rechtbank en dus ook niet door [de vereniging] aan [eiser] in rekening mogen worden gebracht.
eerste klacht van subonderdeel IIbfaalt. Hetzelfde geldt voor de
vierde klacht van subonderdeel IIa.
directaan de besluiten van [de vereniging] zijn gebonden, zijn zij, op grond van het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking, wel verplicht om bij te dragen aan de kosten ten aanzien waarvan [de vereniging] heeft besloten dat deze noodzakelijk zijn (voor zover deze betrekking hebben op de basisinfrastructuur).
tweede klachtvan subonderdeel IIb faalt derhalve.
in de eerste plaats(p.i., nr. 4.1) dat het oordeel van het hof in rov. 4.5 en 4.7 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof tot uitgangspunt neemt dat interne besluitvorming van [de vereniging] zonder meer bindend is voor niet-leden. Als het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, voert het onderdeel
voorts(p.i., nrs. 4, 4.1 en 4.3) aan dat het oordeel van het hof in rov. 4.5-4.10 onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet heeft gemotiveerd wat het begrip basisinfrastructuur inhoudt en wat er in dit geval onder moet worden verstaan voor de vraag welke kosten [eiser] dient te vergoeden. Het hof had per voorziening moeten kijken of deze behoorde tot de basisinfrastructuur, of de kosten redelijk waren en of er een noodzaak tot collectiviteit bestond, aldus het onderdeel.
zonder meer bindendis voor niet-leden, zodat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist. Het hof heeft in rov. 4.5 en 4.7 slechts geoordeeld dat [eiser] niet “aan de besluiten van [de vereniging] kan voorbijgaan”, namelijk in die zin dat deze besluiten kunnen leiden tot zijn aansprakelijkheid uit ongerechtvaardigde verrijking indien hij niet bijdraagt in uitgaven (betreffende de basisinfrastructuur) waartoe [de vereniging] in het belang van alle eigenaren heeft besloten.
nietaan [eiser] in rekening mag brengen.
nietaan de niet-leden kunnen worden doorbelast:
- de posten voor parkeervergoeding en het posthuis (voor zover en voor zolang deze voorzieningen niet aan de niet-leden worden aangeboden); en
- de post commissie sociale contacten nieuwjaarsreceptie, aangezien deze kosten specifiek ten behoeve van de leden worden gemaakt.