ECLI:NL:HR:2022:348
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over brutering van vergoeding voor verlies arbeidsvermogen bij politiefunctionaris
Belanghebbende, een voormalige politiefunctionaris met PTSS, ontving in 2016 een netto schadevergoeding van €315.363 wegens verlies van arbeidsvermogen. Deze vergoeding werd in 2017 door zijn werkgever gebruteerd tot €710.277, waarbij €394.914 werd ingehouden en afgedragen als loonheffing.
Het geschil betrof de vraag of het bedrag van €394.914 belastbaar loon was. Het Hof Den Haag oordeelde dat dit bedrag belastbaar loon is, omdat het niet bedoeld was als vergoeding voor verlies arbeidsvermogen maar om belanghebbende in staat te stellen de belasting over de vergoeding te voldoen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de gehele uitkering, inclusief de brutering, een vergoeding voor immateriële schade was en dus niet als loon uit de dienstbetrekking kon worden aangemerkt. De Hoge Raad verwierp dit, stellende dat het oordeel van het Hof over de feitelijke waardering niet in cassatie kan worden getoetst en dat de betaling haar grond vindt in de dienstbetrekking.
Ook het verweer dat de werkgever het bedrag niet zou terugvorderen en dit als leedcompensatie zou gelden, werd niet aan het Hof voorgelegd en kan daarom niet in cassatie worden beoordeeld. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het bedrag van €394.914 wordt als belastbaar loon aangemerkt.