Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
15 maart 2022.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake faillissementsfraude en feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk door een rechtspersoon. De verdachte werd door het hof veroordeeld op grond van het oude artikel 341 Sr Pro.
In cassatie stelde de verdediging dat het hof niet had beslist op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het opzet van de rechtspersoon. De Hoge Raad heeft deze klacht beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het arrest kan leiden.
De Hoge Raad benadrukt dat het niet nodig is om op deze klachten nader te motiveren omdat zij niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het beroep is derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 15 maart 2022.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.