Conclusie
Nummer20/01012
De procedure in cassatie
bedrieglijke bankbreuk gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf ter hoogte van 220 uren te vervangen door 110 dagen hechtenis indien niet naar behoren verricht.
De zaak
De middelen
Het bestreden arrest
primair[A] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland d.d. 4 juni 2013 in staat van faillissement is verklaard,in de periode van 1 januari 2013 tot en met 4 juni 2013 in Nederland ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van voornoemde rechtspersoon,
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 341, aanhef onder a sub 1, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat artikel ten tijde van het ten laste gelegde luidde. Het in die bepaling bedoelde onttrekken betreft alle handelingen van de in staat van faillissement verklaarde waardoor hetgeen rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer wordt gehouden, (zie ECLI:HR:2013:BY8365). Het gaat daarbij om gedragingen waardoor opzettelijk en wederrechtelijk wordt bewerkstelligd dat een of meer vermogensbestanddelen van de schuldenaar niet ten goede komen aan de gezamenlijke schuldeisers.
dat de overige betalingen aan verdachte, [betrokkene 4], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [B] geen onzakelijk betalingen waren wordt dit door de gebezigde bewijsmiddelen weerlegd, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het eerste middel
Kwalificatieproblematiek
het slachtoffer” is geweest van het handelen van anderen voldoet, anders dan in de toelichting op het middel kennelijk wordt verondersteld, ook niet aan de vereisten van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Die enkele vermelding maakt niet duidelijk dat de verdediging verweer voert ten aanzien van het (bewijs van) opzet van [A] B.V.
3.4.1 (…) een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.
dusheeft nagelaten dat opzet vast te stellen. In de bewezenverklaring ligt namelijk het oordeel van het hof besloten dat [A] B.V. met opzet heeft gehandeld. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd, omdat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het opzet van de verdachte kan worden toegerekend aan [A] B.V. Ik zal dat toelichten.