Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
22 maart 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft het openbaar ministerie (OM) een cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. Dit principaal cassatieberoep werd later door het OM ingetrokken. Vervolgens stelde de verdachte op grond van artikel 433 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering een incidenteel cassatieberoep in. Namens de verdachte werd een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het incidenteel cassatieberoep. De Hoge Raad heeft vervolgens overwogen dat, omdat het OM het principaal beroep heeft ingetrokken, de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het incidenteel beroep.
De Hoge Raad heeft daarom het incidenteel cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard en het beroep verworpen. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans en uitgesproken in openbare terechtzitting op 22 maart 2022.
Uitkomst: Het incidenteel cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege intrekking van het principaal cassatieberoep door het OM.