ECLI:NL:PHR:2022:261

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2022
Publicatiedatum
18 maart 2022
Zaaknummer
21/00285
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 434 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring incidenteel cassatieberoep wegens intrekking primair cassatieberoep

De verdachte was door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en kreeg een taakstraf opgelegd. Het openbaar ministerie stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, terwijl de verdachte incidenteel cassatieberoep instelde. Nadat het openbaar ministerie het primaire cassatieberoep introk, kon het incidentele cassatieberoep niet meer worden behandeld. De Hoge Raad verklaarde daarom de verdachte niet-ontvankelijk in het incidentele cassatieberoep, conform vaste rechtspraak.

De procedure kenmerkte zich door de afhankelijkheid van het incidentele cassatieberoep van het primaire cassatieberoep. Het arrest bevestigt dat zonder een lopend primair cassatieberoep het incidentele beroep geen zelfstandige behandeling kan krijgen. Dit volgt uit eerdere arresten van de Hoge Raad uit 1974 en 2009.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het incidentele cassatieberoep van de verdachte, waarmee de procedure in cassatie wordt afgesloten zonder inhoudelijke behandeling van het incidentele beroep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het incidentele cassatieberoep wegens intrekking van het primaire cassatieberoep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/00285
Zitting1 februari 2022

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 20 januari 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens “overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot taakstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep is op 28 januari 2021 ingesteld door het openbaar ministerie. De verdachte heeft op 11 februari 2021 op grond van art. 434, lid 2, Sv incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Op 22 september 2021 heeft het openbaar ministerie het cassatieberoep ingetrokken. Namens de verdachte heeft mr. N.R. Janszen, advocaat te Haarlem, in het kader van het incidenteel cassatieberoep een middel van cassatie voorgesteld.
3. De behandeling door de Hoge Raad van een incidenteel cassatieberoep is afhankelijk van de behandeling van het primaire, door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep. Nu het openbaar ministerie het cassatieberoep heeft ingetrokken, kan het incidentele cassatieberoep niet meer behandeld worden. Daarom moet de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde incidenteel cassatieberoep (vgl. HR 17 december 1974, NJ 1975/94 en HR 10 maart 2009 ECLI:NL:HR:2009:BH5258).
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG