ECLI:NL:PHR:2022:261
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring incidenteel cassatieberoep wegens intrekking primair cassatieberoep
De verdachte was door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en kreeg een taakstraf opgelegd. Het openbaar ministerie stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, terwijl de verdachte incidenteel cassatieberoep instelde. Nadat het openbaar ministerie het primaire cassatieberoep introk, kon het incidentele cassatieberoep niet meer worden behandeld. De Hoge Raad verklaarde daarom de verdachte niet-ontvankelijk in het incidentele cassatieberoep, conform vaste rechtspraak.
De procedure kenmerkte zich door de afhankelijkheid van het incidentele cassatieberoep van het primaire cassatieberoep. Het arrest bevestigt dat zonder een lopend primair cassatieberoep het incidentele beroep geen zelfstandige behandeling kan krijgen. Dit volgt uit eerdere arresten van de Hoge Raad uit 1974 en 2009.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het incidentele cassatieberoep van de verdachte, waarmee de procedure in cassatie wordt afgesloten zonder inhoudelijke behandeling van het incidentele beroep.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het incidentele cassatieberoep wegens intrekking van het primaire cassatieberoep.