ECLI:NL:HR:2022:464

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 maart 2022
Publicatiedatum
25 maart 2022
Zaaknummer
21/00153
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 WnaArt. 1:1 lid 2 onder c AwbArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep oud-notaris tegen beslissing kamer voor het notariaat

In deze zaak heeft een oud-notaris zich in cassatie gewend tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam, waarin een beslissing van de voorzitter van de kamer voor het notariaat werd bevestigd. De oud-notaris verzocht om vernietiging van deze beslissing en om voorzieningen met betrekking tot het honorarium en de kosten van goede ambtsbeoefening.

De Hoge Raad oordeelde dat de kamer voor het notariaat en haar voorzitter geen bestuursorganen zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, maar onafhankelijke organen met rechterlijke taken. Hierdoor is tegen hun beslissingen geen bestuursrechtelijk hoger beroep mogelijk, maar slechts een beroep bij de gewone rechter. Het bestuursrechtelijk hoger beroep bij de Hoge Raad is daarom niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad stelde vast dat het cassatieberoep aan de formele voorwaarden voldeed, maar dat de inhoudelijke klachten niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad hoefde deze niet te motiveren omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde de oud-notaris tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de notaris c.s. De curator en de andere verweerder verschenen niet en werden niet in de kosten veroordeeld.

Uitkomst: Het bestuursrechtelijk hoger beroep van de oud-notaris is niet-ontvankelijk verklaard en het cassatieberoep is verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/00153
Datum25 maart 2022
BESCHIKKING
In de zaak van
[de oud-notaris],
wonende op een geheim adres,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: [de oud-notaris],
advocaat: K. Aantjes,
tegen
1. [de notaris], notaris,
wonende te [woonplaats],
2. KONINKLIJKE NOTARIËLE BEROEPSORGANISATIE,
gevestigd te Den Haag,
3. STICHTING VOORZIENINGSFONDS EN DE STICHTING KWALITEITSFONDS NOTARIAAT VAN DE KONINKLIJKE NOTARIËLE BEROEPSORGANISATIE,
gevestigd te Den Haag,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: de notaris c.s.,
advocaat: J. Streefkerk,
4. H. DULACK, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,
kantoorhoudende te Utrecht,
5. [verweerder 5], voormalig kandidaat-notaris,
voorheen kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: de curator en [verweerder 5],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 200.276.449/01 NOT van het gerechtshof Amsterdam (de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer) van 17 november 2020.
[de oud-notaris] heeft tegen de beschikking van het hof beroep ingesteld.
Het verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De notaris c.s. hebben een verweerschrift ingediend tot primair niet-ontvankelijkheid, subsidiair verwerping en tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.
De curator en [verweerder 5] hebben geen verweerschrift ingediend.
[de oud-notaris] heeft verzocht het niet-ontvankelijkheidsverweer te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Uitgangspunten en feiten

Voor de feiten, het verzoek en de beslissingen in feitelijke instantie in deze zaak wordt verwezen naar de conclusie van de advocaat-generaal onder 1.

3.Ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1
De oud-notaris heeft bij de Hoge Raad ingediend een “(Hoger) Beroep ex artikel 29 lid 3 Wet Pro op het Notarisambt, subsidiair verzoek tot cassatie”. Uit dit processtuk blijkt dat de oud-notaris de beslissing van het hof bij de Hoge Raad bestrijdt met een (bestuursrechtelijk) hoger beroep en een voorwaardelijk verzoek tot cassatie. De oud-notaris verzoekt de Hoge Raad de beslissing van het hof te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien door intrekking van beslissingen van de voorzitter van de Notariskamer Arnhem-Leeuwarden voor zover daarbij een voorziening voor het honorarium is getroffen, en door – kort samengevat – een voorziening te treffen over de kosten van goede ambtsbeoefening met betrekking tot het protocol.
3.2
De kamer voor het notariaat en de voorzitter van de kamer voor het notariaat zijn geen bestuursorganen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), maar onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die (mede) met rechtspraak zijn belast als bedoeld in art. 1:1 lid Pro 2, onder c, Awb. [1] Tegen hun beslissingen staat dan ook geen bestuursrechtelijk beroep open, maar beroep bij de gewone rechter (het gerechtshof Amsterdam op grond van de Wet op het Notarisambt (hierna: Wna)), die daarbij niet optreedt als bestuursrechter. Bij de Hoge Raad staat dan ook geen bestuursrechtelijk hoger beroep open. In zoverre is de oud-notaris niet-ontvankelijk in zijn beroep. [2]

4.Beoordeling van het middel

4.1
Uit hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen volgt dat de voorwaarde is vervuld waaronder het cassatieberoep is ingesteld.
4.2
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de oud-notaris in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de notaris c.s. begroot op € 913,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, en aan de zijde van de curator en [verweerder 5] op nihil.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, C.H. Sieburgh en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
25 maart 2022.

Voetnoten

1.Zie Kamerstukken II, 1995/96, 23706, nr. 7, p. 15.
2.HR 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:423, r.o. 3.2.