Uitspraak
1.De procedure
Op de dag van de voorgenomen uitspraak zou het lid van de Hoge Raad H.M. Wattendorff als rolraadsheer optreden.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van de Hoge Raad die haar belastingzaak behandelen en tegen de rolraadsheer die de uitspraak zou doen. Het verzoek tegen de rolraadsheer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat een wrakingsverzoek alleen kan worden gericht tegen de rechters die de zaak behandelen.
De wraking tegen de drie leden van de Hoge Raad die de zaak behandelen werd inhoudelijk beoordeeld. Verzoekster stelde dat de rechters vooringenomen waren omdat zij uitsluitend op haar naam zouden zijn afgegaan en omdat de beslissing al genomen zou zijn voordat zij haar gronden kon indienen. De Hoge Raad oordeelde dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die een vermoeden van vooringenomenheid rechtvaardigen.
De Hoge Raad overwoog dat een rechter uit hoofde van zijn functie onpartijdig wordt vermoed, tenzij zwaarwegende aanwijzingen het tegendeel bewijzen. De enkele aankondiging van een uitspraak en het ontbreken van communicatie over griffierecht of termijnen vormen geen gegronde reden voor wraking.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het wrakingsverzoek tegen de rolraadsheer niet-ontvankelijk en wees het wrakingsverzoek tegen de leden van de Hoge Raad af. De uitspraak werd gedaan door de vicepresident en twee raadsheren op 1 april 2022.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rolraadsheer is niet-ontvankelijk verklaard en het wrakingsverzoek tegen de leden van de Hoge Raad is afgewezen.