Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
1 april 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de beëindiging van een huurovereenkomst van bedrijfsruimte wegens dringend eigen gebruik door de verhuurder, die het pand weer als hotel wil exploiteren. De verhuurder stelde dat hij een aanzienlijk beter rendement kan behalen door zelf het hotel te exploiteren in plaats van te verhuren.
Het hof Amsterdam wees de vordering af omdat het oordeelde dat de verhuurder het pand niet dringend nodig had. Het hof motiveerde dit onder meer met de constatering dat de verhuurder in 2006 bewust had gekozen het hotelbedrijf te verkopen en het pand te verhuren, en dat hij over een vastgoedportefeuille beschikt waardoor het pand niet per se noodzakelijk is.
De Hoge Raad vernietigt dit arrest omdat het hof onterecht heeft aangenomen dat de verhuurder de stelplicht had om aan te tonen dat hij geen andere panden kan gebruiken, terwijl dit op de huurder rust. Tevens is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd, met name waarom de keuze uit 2006 nog relevant is voor de dringendheid in 2020. De zaak wordt verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam is vernietigd en de zaak is verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.