Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
19 april 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het verzet tegen een strafbeschikking wegens verlaten plaats ongeval centraal. De verdachte had op 29 december 2017 een strafbeschikking ontvangen en diende verzet in per brief die op 17 januari 2018 bij het parket werd ontvangen. Het hof verklaarde het verzet niet-ontvankelijk omdat het buiten de wettelijke termijn van veertien dagen was ingediend.
De verdachte stelde in cassatie dat de ontvangsttermijn conform artikel 6:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moest worden toegepast, waardoor het verzet alsnog tijdig zou zijn. De Hoge Raad verwierp dit verweer omdat de Awb niet van toepassing is op strafvorderlijke procedures zoals verzet tegen strafbeschikkingen.
Het hof had terecht geoordeeld dat de datum van ontvangst bij het parket bepalend is voor de termijn en dat het verzet te laat was ingediend. De Hoge Raad bevestigde hiermee de geldende rechtsopvatting en verwierp het cassatieberoep. De verdachte bleef niet-ontvankelijk verklaard in het verzet.
Uitkomst: Het verzet tegen de strafbeschikking is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.