ECLI:NL:HR:2022:647
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake toerekening betaling bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting
Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland had behandeld. De zaak betreft een mededeling van de ontvanger over de verwerking van een betaling uit hoofde van een executoriaal beslag onder het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2014, alsmede de daarbij in rekening gebrachte invorderingsrente.
De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat beantwoording van de vragen niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 22 april 2022 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof bevestigd.