Uitspraak
1.De prejudiciële procedure
Zaak 21/05230
2.Uitgangspunten en feiten
4.Beslissing
13 mei 2022.
Hoge Raad
Deze prejudiciële beslissing betreft twee zaken waarin wensouders, die via hoogtechnologisch draagmoederschap in het buitenland kinderen hebben gekregen, verzoeken om erkenning van hun juridische ouderschap en inschrijving van buitenlandse geboorteaktes in Nederland.
De Hoge Raad gaat uit van de feiten dat in zaak 21/05230 Nederlandse wensouders via draagmoederschap in Georgië een kind kregen, en in zaak 21/05231 Israëlische wensouders via draagmoederschap in de Verenigde Staten een kind kregen. In beide gevallen zijn buitenlandse geboorteaktes opgemaakt waarin de wensouders als ouders zijn vermeld, maar zij missen in Nederland nog de juridische ouderlijke status en het gezag.
De rechtbank Den Haag stelde prejudiciële vragen over het toepasselijke recht, erkenning van buitenlandse beslissingen en akten, de rol van de draagmoeder en haar echtgenoot als belanghebbenden, en de inschrijving in de burgerlijke stand. De Hoge Raad constateert dat Nederland nog geen wettelijke regeling heeft voor de rechtsgevolgen van draagmoederschap en dat er lopende wetsvoorstellen zijn die deze lacune moeten vullen.
Gezien de complexiteit, de uiteenlopende vragen en de lopende wetgevingsprocedure, ziet de Hoge Raad af van beantwoording van de prejudiciële vragen. Totdat een wettelijke regeling is vastgesteld, blijft het aan de rechter om per geval te beslissen, waarbij toepassing van de bestaande bepalingen over erkenning van buitenlandse beslissingen en akten mogelijk is.
De beslissing is gegeven door de vicepresident en raadsheren van de Hoge Raad en is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de prejudiciële vragen over draagmoederschap en internationaal privaatrecht vanwege het ontbreken van een wettelijke regeling.