Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
24 mei 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor meervoudige oplichting, het doen van een valse opgave in een authentieke akte en gewoontewitwassen. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de bewijsvoering en het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar uitsluitend met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering volgens vaste maatstaven. De Hoge Raad oordeelde dat de overige klachten niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was deze te motiveren.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de straf van achttien maanden tot zeventien maanden en een week.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeventien maanden en een week wegens overschrijding van de redelijke termijn.