ECLI:NL:HR:2022:764

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
24 mei 2022
Zaaknummer
20/00839
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 lid 1 SrArt. 227 lid 1 SrArt. 227 lid 2 SrArt. 420ter lid 1 SrArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in oplichtingszaak

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor meervoudige oplichting, het doen van een valse opgave in een authentieke akte en gewoontewitwassen. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de bewijsvoering en het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar uitsluitend met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering volgens vaste maatstaven. De Hoge Raad oordeelde dat de overige klachten niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was deze te motiveren.

De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de straf van achttien maanden tot zeventien maanden en een week.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeventien maanden en een week wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/00839
Datum24 mei 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 februari 2020, nummer 23-000249-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben A.J.C. Perdaems, advocaat te Breda, en A.C.M. Klaasse, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan volgens de vaste maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw Perdaems heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en een week beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. BroekhuizenMeuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 mei 2022.