Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
31 mei 2022.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor meermalig bezit en vervaardiging van kinderporno en ontucht met een buurmeisje. Het hof legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel werd een bijzondere gedragsvoorwaarde gekoppeld die de verdachte verplichtte medewerking te verlenen aan steekproefsgewijze controles van zijn digitale gegevensdragers, inclusief toegang tot zijn woning en het verstrekken van wachtwoorden.
De Hoge Raad beoordeelde de wettelijke grondslag en uitleg van bijzondere gedragsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 14c lid 2 Sr en verwante bepalingen. De Raad herhaalde dat gedragsvoorwaarden voldoende precies moeten zijn geformuleerd en niet mogen leiden tot een te ingrijpende beperking van de persoonlijke levenssfeer. De door het hof gestelde voorwaarde ontbrak aan concrete waarborgen over de wijze van controle en bescherming van privacy.
Hierdoor oordeelde de Hoge Raad dat de bijzondere voorwaarde niet voldoet aan de eisen van artikel 14c lid 2 Sr en vernietigde de strafoplegging van het hof. De zaak werd terugverwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting van de strafoplegging. Het overige cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens onvoldoende concrete gedragsvoorwaarde en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.