Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
3 juni 2022.
Hoge Raad
In deze zaak staat een alimentatiegeschil tussen ex-echtgenoten centraal. De man heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikkingen van het gerechtshof Den Haag, die eerder in het geding waren in de rechtbank en het hof. De klachten van de man richten zich op onder meer de stelplicht en bewijslast met betrekking tot behoefte en behoeftigheid, de vraag of de beschikking van de rechtbank nietig is wegens het defungeren van een rechter, en het verzoek tot inzage in de belastingaangiften van de wederpartij.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere beschikkingen van de rechtbank Den Haag van 26 september 2019 en het gerechtshof Den Haag van 10 juni 2020 en 16 december 2020 voor het procesverloop. Na beoordeling van de klachten over de beschikkingen van het hof oordeelt de Hoge Raad dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van die beschikkingen.
De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet nader, omdat het beantwoorden van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De beschikking wordt op 3 juni 2022 door de vicepresident en raadsheren in het openbaar uitgesproken, waarbij het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de beschikkingen van het hof blijven in stand.