Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
De vrouw heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en de Hoge Raad verzocht om het beroep in cassatie ongegrond te verklaren, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
De onderdelen 1-3 stellen, samengevat, aan de orde dat het hof het hoger beroep in behandeling heeft genomen van een beschikking van de rechtbank Den Haag van 26 september 2019, die mede door een rechter in de rechtbank als voorzitter (hierna aangeduid als: de rechter) is gegeven, terwijl de rechter ten tijde van het hoger beroep werkzaam is bij het hof Den Haag. Daarbij wordt gesteld dat het hof ten onrechte de zaak niet naar een ander gerechtshof heeft doorverwezen, en aldus art. 62b RO en het Zaaksverdelingsreglement van het hof Den Haag heeft miskend, althans dat het niet doorverwijzen in de onderhavige omstandigheden [11] een schending van art. 6 EVRM Pro oplevert.
De onderdelen 4-8 betreffen de afwijzing van het verzoek tot toekenning van partneralimentatie.
4.6 Het hof is van oordeel dat met het feit dat [de rechter] de bestreden beschikking mede heeft gewezen en daarna, per 9 januari 2020 als raadsheer bij het hof is benoemd, geen situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 62b van de Wet RO.”
subonderdeel 1Bwordt geklaagd dat het oordeel van het hof bovendien onvoldoende is gemotiveerd nu het hof in rov. 4.5 en 4.6 slechts ingaat op de datum van indiensttreding c.q. beëdiging van de rechter. Het hof gaat daarbij volledig voorbij aan de essentiële stelling van de man dat, gelet op het feit dat de rechter raadsheer is in het hof Den Haag, de man het niet gewenst acht dat het hof Den Haag oordeelt over de nietigheid van de beschikking van de rechtbank. Het hof gaat, zo begrijp ik het subonderdeel, eveneens volledig voorbij aan de stelling van de man dat om elke schijn van partijdigheid in het toebrengen van schade aan de onafhankelijkheid van het rechterlijk oordeel te voorkomen, de behandeling van het hoger beroep – gelet op de betrokkenheid van het hof en meer in het bijzonder de betrokkenheid van de rechter – door een ander hof gewenst is. Het hof lijkt in rov. 4.5 een voorschot te geven op de vraag over de nietigheid, maar het hof gaat niet in op de door de man aangedragen argumenten (de voorvraag) op grond waar van bij hem gerechtvaardigde vrees of twijfel is ontstaan over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het hof. De man vroeg het hof niet om een oordeel te geven over de nietigheid maar juist om een ander hof daar een oordeel over te laten geven. Het hof heeft verzuimd om de door de man aangedragen twijfel over de partijdigheid en onafhankelijkheid te beoordelen.
Stb.2012, 313). Tevens is art. 62b RO in die wet komen te luiden zoals hiervoor weergegeven. [24] De in art. 46b en 62b RO opgenomen voorziening is overeenkomstig de voorziening in het toenmalige art. 8:13 lid Pro 1, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). [25] In de memorie van toelichting van de Wet herziening gerechtelijke kaart wordt voor een nadere toelichting op art. 62b RO verwezen naar de toelichting op art. 46b RO. [26]
Stcrt.2016, 23179) bevat de volgende bepaling:
3. Zaken van eigen medewerkers en van het hof
In de eerste plaats wijs ik erop dat art. 62b RO een discretionaire bevoegdheid betreft (zie hiervoor onder 3.14)en het hof derhalve een beoordelingsmarge heeft.
altijdeen zaak naar een ander hof dient te verwijzen indien de situatie zich voordoet dat bij het hof wordt geappelleerd van een uitspraak van een tot zijn ressort behorende rechtbank die mede is gewezen door een rechter die inmiddels is benoemd tot raadsheer in het hof, meen ik dat dit standpunt als te vergaand dient te worden verworpen. In een dergelijk geval kan de mogelijke betrokkenheid van een gerecht worden ondervangen bij het samenstellen van de kamer die de desbetreffende zaak behandelt en beslist. [35] Ik wijs in dit verband ter vergelijking ook op het Protocol deelname aan behandeling en beraadslaging van de Hoge Raad der Nederlanden, dat op de website van de Hoge Raad is gepubliceerd. Daarin is in artikel 1.3.3 opgenomen dat de Hoge Raad onder meer als concreet uitgangspunt hanteert (onder a.) dat gedurende het eerste jaar na zijn of haar benoeming in de Hoge Raad een lid geen cassatieberoepen zal behandelen die zijn gericht tegen uitspraken die afkomstig zijn van het specifieke onderdeel van het gerecht waarin hij of zij laatstelijk werkzaam is geweest.
De motiveringsklacht van subonderdeel 1B leidt mitsdien niet tot cassatie.
onderdeel3. Subonderdelen 3A en 3B zijn gericht tegen rov. 5.4 van de eindbeschikking. Daarin heeft het hof als volgt geoordeeld:
subonderdeel 3Awordt geklaagd dat de overweging van het hof in rov. 5.4 van de eindbeschikking onder verwijzing naar rov. 4.5 van de tussenbeschikking dat is vastgesteld dat de rechter ten tijde van de bestreden beschikking (26 september 2019) verbonden was aan de rechtbank, onjuist is omdat het hof het begrip "verbondenheid" onjuist toepast. Daarbij zijn deze overwegingen volgens het subonderdeel onbegrijpelijk. In de tussenbeschikking is immers alleen vastgesteld dat de rechter bij Koninklijk Besluit van 20 september 2019 is benoemd tot raadsheer in het hof Den Haag met als datum van indiensttreding de datum van beëindiging [bedoeld zal zijn ‘beëdiging’ [36] ]. Dit zegt niets over de vraag of hij ten tijde van de bestreden beschikking nog was verbonden aan de rechtbank, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt. [37] De man had immers gesteld dat de rechter ten tijde van het geven van de beschikking al was gedefungeerd en niet meer was verbonden aan de rechtbank. Het gaat hier om een essentiële stelling van de man nu een door een gedefungeerde rechter gewezen beschikking op grond van art. 5 lid 2 RO Pro tot nietigheid leidt (HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604). Het hof had daarop, aldus het subonderdeel, behoren te responderen door te onderzoeken of de rechter al dan niet (daadwerkelijk) was gedefungeerd bij de rechtbank ten tijde van de bestreden beschikking, bijvoorbeeld door het horen van getuigen.
subonderdeel 3Bwordt geklaagd dat het oordeel van het hof in rov. 5.4 van de eindbeschikking onder verwijzing naar rov. 4.5 van de tussenbeschikking dat de rechter ten tijde van de bestreden beschikking verbonden was aan de rechtbank daarnaast onjuist is. In HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604 is overwogen dat [onderstreping advocaat]:
“een rechterlijk ambtenaar die werkzaam is bij een rechtbank,vanaf de datum met ingang waarvan hij of zij tot raadsheer of senior raadsheer in een gerechtshof is benoemd, niet meer bevoegd is om als rechter in een rechtbank op te treden, tenzij hij of zij tevens tot rechter-plaatsvervanger is benoemd". Nu het hof vaststelt dat de rechter bij Koninklijk Besluit van 20 september 2019 is benoemd tot raadsheer in het hof was hij per die datum niet meer bevoegd om als rechter in de rechtbank Den Haag op te treden. Daarbij doet de datum van indiensttreding of beëdiging niet ter zake. Het hof heeft dat in de tussenbeschikking en eindbeschikking volgens het subonderdeel miskend door te oordelen dat de rechter op de datum van het afleggen van de eed (9 januari 2020) als raadsheer is benoemd. Benoeming is echter niet hetzelfde als beëdiging of indiensttreding. Nu de rechter (al) op 20 september 2019 was benoemd tot raadsheer, en niet blijkt dat hij tevens tot rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank is benoemd, leidt dat tot nietigheid van de beschikking van 26 september 2019 op grond van art. 5 lid 2 RO Pro. In dit kader wordt tot slot van het subonderdeel opgemerkt dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht (althans daar ten onrechte niet aan toe is gekomen), ook niet in rov. 5.5, laatste alinea, of er na het defungeren van de rechter nog wijzigingen in de beschikking zijn aangebracht zoals bepaald in ECLI:NL:HR:2018:604. De man heeft er op gewezen dat gezien de omvang van de beschikking, alle juridische punten die beoordeeld dienden te worden en de complexiteit ervan uit dient te worden gegaan dat de definitieve tekst van de beschikking op 19 september 2019 nog niet was vastgesteld. In dat kader heeft hij verzocht de rechters van de rechtbank als getuigen te horen. Bij het slagen van dit onderdeel ligt dat punt nog open.
Hieruit volgt het volgende.
De tekst van het koninklijk besluit van 20 september 2019 luidt: “WIJ WILLEM-ALEXANDER (…) HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: I. te benoemen tot raadsheer in een nader bij besluit van de Raad voor de rechtspraak aan te wijzen gerecht, met als datum van indiensttreding de datum van beëdiging: [de rechter] (…) Onze Minister voor Rechtsbescherming is belast met de uitvoering van dit besluit. (…)”
De Raad voor de rechtspraak heeft vervolgens op 1 oktober 2019 het volgende besluit genomen. “(…) Gelet op artikel 5b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren; Gezien het Koninklijk besluit van 20 september 2019, nr. 2019001952; BESLUIT: vast te stellen dat met ingang van de datum van beëdiging: [de rechter], geboren (…), het ambt van raadsheer zal vervullen in het gerechtshof Den Haag. (…)”
Tot slot blijkt uit de ontvangen kopie van het “proces-verbaal van het afleggen van de eed door een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast” dat “[o]p 9januari 2020 werd te Den Haag op vordering van mr. (…), advocaat-generaal, afdelingshoofd Legal Office, en ten overstaan van (1) mr. MW. Koek, president en door (2) [de rechter] de hierna vermelde eed afgelegd. (…)”
NJ2018/373 m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.3.3, waarin de Hoge Raad het volgende heeft overwogen:
De president van de rechtbank Den Haag schrijft in zijn brief van 20 oktober 2020 het volgende:
Geachte mevrouw Smeets [advocaat van de vrouw; toev. A-G],
U heeft mij in de brief – per mail verstuurd – van 12 oktober 2020 het verzoek gedaan u te informeren tot welke datum [de rechter] bij de Rechtbank Den Haag werkzaam is geweest.
Vanaf 1 januari 2020 is [de rechter] geen senior rechter meer bij de Rechtbank Den Haag.
(…)”
In het proces-verbaal staat op pagina 4, eerste alinea, het volgende (ik citeer voor de leesbaarheid ook enkele daaropvolgende alinea’s):
Advocaat man:
Subonderdeel 3A faalt dan ook op dit punt.
Echter, niet ter discussie staat dat de inhoud van beide beschikkingen dezelfde is. Dat heeft de advocaat van de man ter zitting bij het hof desgevraagd ook erkend. Ook is niet bestreden dat de inhoud van de beschikking door de drie rechters, die bij de mondelinge behandeling aanwezig waren, is vastgesteld. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 13 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:604) volgt dat een beschikking wordt gewezen wanneer alle rechters die over de zaak oordelen de volledige tekst van de uit te spreken beschikking hebben vastgesteld. Nu geen twijfel bestaat over de inhoud van de bestreden beschikking, is het naar het oordeel van het hof niet relevant dat de handtekening onder de beschikking die per e-mail is verzonden, afwijkt van de handtekening onder de beschikking die per gewone post is verzonden. Het hof concludeert dan ook dat sprake is van een rechtsgeldige beslissing en dat nader onderzoek niet nodig is.”
Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Subonderdeel 3C faalt dan ook.
onderdeel 2, dat een voortbouwklacht bevat.
subonderdeel 3Dwordt tot slot bij de subonderdelen 3A t/m 3C een aantal opmerkingen gemaakt die volgens het subonderdeel maken dat te meer uiterst zorgvuldig dient te worden omgegaan met rechterswisselingen en formaliteiten en bij de man een objectief gerechtvaardigd vrees doen ontstaan voor belangenverstrengeling (klassenjustitie) waardoor zijn door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een fair trial in het geding is.
Bewijsaanbod5.21 De man biedt bewijs aan van al zijn stellingen met betrekking tot - onder meer - zijn financiële positie ten tijde van het huwelijk, inkomsten, sollicitaties en geldleningen en heeft een bijlage met een groot aantal namen van getuigen bijgevoegd.
5.22 Het hof gaat aan het bewijsaanbod voorbij omdat de man op zijn essentiële stellingen in hoger beroep – de kwestie van de huwelijksgerelateerde behoefte en zijn behoeftigheid – tekort is geschoten in zijn stelplicht. Voor zover het bewijsaanbod op andere stellingen ziet is het niet ter zake dienend.”
NJ2004/140).”
subonderdeel 4Awordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof te strenge of onjuiste eisen stelt aan de stelplicht van de man door te verlangen dat hij de door hem gestelde en te bewijzen aangeboden feiten (al op voorhand) had moeten onderbouwen of aannemelijk maken door overlegging van financiële gegevens. Het hof heeft daarnaast – zakelijk en verkort weergegeven – miskend dat bij de stelplicht de omstandigheden of redenen een rol spelen die maken dat een partij zijn stellingen niet met gegevens heeft kunnen toelichten, alsmede de vraag binnen de sfeer van welke partij zich de meeste gegevens over de kwestie bevinden. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel noemt daarbij als omstandigheid zijn stelling dat hij niet of nauwelijks over gegevens omtrent de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk beschikt en dus noodgedwongen weinig kan toelichten. Volgens het subonderdeel spreekt de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 december 2003 [57] met betrekking tot de stelplicht over "zoveel mogelijk concrete gegevens". Dat brengt mee, aldus het subonderdeel, dat dus niet dwingend is voorgeschreven dat de man zijn stellingen had moeten onderbouwen met concrete gegevens, temeer daar hij heeft aangegeven deze niet te hebben.
Bij het slagen van de voorgaande klachten over het oordeel van het hof inzake de stelplicht had het hof in rov. 5.22, aldus nog steeds het subonderdeel, niet aan het bewijsaanbod van de man voorbij mogen [gaan] althans niet voor zover dat toezag op de huwelijksgerelateerde behoefte en/ of zijn behoeftigheid.
Aan het voorgaande doen volgens het subonderdeel de vaststellingen en overwegingen van het hof in rov. 5.14 niet af, simpelweg omdat de man niet over de verlangde gegevens beschikt. In genoemde rov. heeft het hof overwogen dat (i) de man de hoogte van zijn inkomen niet heeft onderbouwd, (ii) het door de man gestelde uitgavenpatroon tijdens het huwelijk niet is komen vast te staan, (iii) de man geen verklaring heeft gegeven waarom hij in eerdere procedures lagere bedragen aan partneralimentatie heeft verzocht en (iv) de door man in eerste aanleg overgelegde behoeftelijst niet met verificatoire bescheiden is onderbouwd.
2007 [63] , is bijgevoegd als productie 8 bij het aanvullend verweerschrift van de vrouw in eerste aanleg. [64] Het gaat er in de aangeduide paragraaf 9 in de kern over dat het voor de man moeilijk is om vele van zijn stellingen van bewijsstukken te voorzien omdat de vrouw beslag heeft doen leggen op alle gezamenlijke zaken van partijen en de persoonlijke zaken van de man en dat de man de vrouw om teruggave van zijn persoonlijke eigendommen heeft verzocht, doch de vrouw hier “tot op heden” nog niet op is ingegaan.
Wat ten tijde van onderhavige procedure de stand van zaken is met betrekking tot de administratie van de man wordt door hem niet toegelicht.
De substantiëring van genoemde stelling over de bewijsnood ter zake van de welstand tijdens het huwelijk door middel van de enkele verwijzing naar paragraaf 9 van het appelschrift van de man van 6 februari 2007 in een eerdere procedure, schiet m.i. daarom tekort.
Daaraan doet volgens het subonderdeel het oordeel in rov. 5.8 niet af, inhoudende dat de man niet, althans onvoldoende concreet en met stukken, heeft onderbouwd dat het hof Amsterdam in de beschikkingen van 15 november 2007 en van 21 december 2010 is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, mede gelet op de zware bewijslast die op hem rust. Datzelfde geldt voor het oordeel van het hof in rov 5.1 (bedoeld zal zijn: 5.11) dat het op de weg van de man had gelegen om per genoemde ingangsdata voldoende gemotiveerd en met relevante stukken te onderbouwen dat op dat moment sprake is geweest van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan de partneralimentatie moet worden aangepast, hetgeen de man volgens het hof zou hebben nagelaten op alle genoemde ingangsdat[a] tot 3 november 2017. Alsmede het oordeel dat door de man niet aannemelijk is gemaakt dat op enig moment voor 3 november 2017 de vrouw daadwerkelijk over vermogen beschikte in die zin dat haar bezittingen haar schulden te boven gingen of dat zij een substantieel inkomen genereert.
bewijslastop de man rust en het hof de man vervolgens niet toelaat tot bewijslevering terwijl hij wel een relevant en specifiek bewijsaanbod heeft gedaan.
onderdeel 5is gericht tegen rov. 5.22 van de eindbeschikking. Het onderdeel klaagt dat het hof daarnaast in rov. 5.22 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door het bewijsaanbod van de man te passeren omdat hij op zijn essentiële stellingen in hoger beroep – de kwestie van de huwelijksgerelateerde behoefte en zijn behoeftigheid – tekort is geschoten in zijn stelplicht. De overweging van het hof in rov. 5.14 dat de bewijsnood van de man in beginsel niet rechtvaardigt dat de bewijslast wordt omgekeerd impliceert immers dat de bewijslast bij de man ligt en dat hij derhalve aan zijn stelplicht heeft voldaan, althans dat hij gelet op zijn relevante en gespecificeerde bewijsaanbod tot de bewijslevering had moeten worden toegelaten. Dan wel is het onjuist en onbegrijpelijk, aldus het onderdeel, dat het hof het bewijsaanbod van de man passeert tegen de achtergrond van de geconstateerde bewijsnood. Dat klemt te meer daar dit redelijkerwijs juist aanleiding zou moeten geven voor een bewijsopdracht.
Verzoek ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
5.19 De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen dit verzoek.
5.20 Het hof is van oordeel dat de man geen rechtmatig belang bij zijn verzoek heeft. Hij wenst een groot aantal stukken te ontvangen en specificeert niet op welke wijze de stukken zijn stellingen moeten ondersteunen. Dat geldt te meer nu het hof – evenmin als de rechtbank – aan een beoordeling van de draagkracht van de vrouw toekomt.”
Het oordeel in de derde volzin van rov. 5.20 is volgens het subonderdeel eveneens onbegrijpelijk nu het verzoek van de man zich niet tot de draagkracht beperkte. Bij de rechtbank had de man een voorwaardelijk verzoek gedaan voor zover zou worden geoordeeld dat de vrouw de rechtbank onvoldoende in staat heeft gesteld zich een oordeel te vormen over het inkomen (en daarmee de draagkracht) van de vrouw. In hoger beroep heeft de man deze voorwaarde ingetrokken en onvoorwaardelijk verzocht om genoemde informatie.
subonderdeel 6Bis het hof – zakelijk weergegeven – in rov. 5.20 uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door onvoldoende welwillend, althans te streng, om te gaan met het verzoek van de man, terwijl (i) het hier gaat om een alimentatiezaak en (ii) voldoende welwillendheid ook volgt uit de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen na echtscheiding beheersen. [74] Het subonderdeel betoogt andermaal dat het in het kader van de stellingen van de man dat hij niet meer over de benodigde administratie beschikte en in bewijsnood verkeerde met betrekking tot de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk en de constatering van het hof dat niet kan worden vastgesteld hoe hoog de huwelijkse gerelateerde behoefte was (rov. 5.14), alsmede in verband met de draagkracht van de vrouw, onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt dat de man geen rechtmatig belang bij zijn verzoek heeft. Nu er volgens het subonderdeel – in cassatie in elk geval veronderstellenderwijs – van uit mag worden gegaan dat de vrouw over de relevante gegevens beschikt, lag het op haar weg om duidelijkheid te verschaffen. Zij was ook verplicht om de van belang zijn feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (art. 21 Rv Pro).
Ik kan het subonderdeel niet volgen voor zover het zou betogen dat deze informatie, die betrekking heeft op de
nahuwelijkse periode, van belang is voor de stellingen van de man inzake de welstand van partijen
tijdens het huwelijken de daarmee verband houdende behoefte van de man. Evenmin kan de door de man van de vrouw gewenste informatie over ‘haar inkomen en vermogen vanaf datum echtscheiding’ inzicht geven in de behoeftigheid van de man en in zijn draagkracht. Behoeftigheid ziet immers op de vraag of de man zelf over voldoende financiële middelen beschikt (zowel zijn werkelijke inkomsten als zijn mogelijkheden tot het verwerven van inkomsten) om in het eigen levensonderhoud te voorzien. [79]
lid 4BW (onjuiste of onvolledige gegevens). Zie voor de gevolgen hiervan hetgeen ik in de laatste volzin van 3.76 heb opgemerkt.
lid 1BW (wijziging van omstandigheden) heeft het hof (zie hiervoor onder 3.70-3.72) eerst de behoefte en behoeftigheid van de man besproken en geoordeeld, evenals de rechtbank, dat niet kan worden vastgesteld hoe hoog de huwelijksgerelateerde behoefte van de man was (rov. 5.14) en dat de man niet heeft aangetoond dat hij niet zelf in staat is in de behoefte (vastgesteld door de rechtbank en het hof op het bestaansminimum) te voorzien (rov. 5.15 en 5.16). Indien de behoefte en/of de behoeftigheid van de man niet kan worden vastgesteld, komt men niet meer aan vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud toe en is de draagkracht van de vrouw niet meer relevant. Partneralimentatie heeft immers een subsidiair karakter (zie hiervoor onder 3.58).