ECLI:NL:HR:2022:869

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juni 2022
Publicatiedatum
15 juni 2022
Zaaknummer
21/01596
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over onteigeningsschade en rentevergoeding

Nieuw Werklust Holding B.V. heeft cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin het hof haar vordering inzake onteigeningsschade en de berekening van rentevergoeding afwees. De Staat der Nederlanden stelde een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. De Hoge Raad heeft de klachten van NWH beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten over de stelplicht en de maatstaf voor vergoeding van meerkosten bij onteigening, en oordeelt dat het hof geen onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. De klachten over de motivering van het hof worden eveneens verworpen. Omdat de klachten niet tot vernietiging kunnen leiden, behoeft het voorwaardelijk incidentele beroep geen behandeling.

De Hoge Raad veroordeelt NWH in de proceskosten en wijst het cassatieberoep af. Hiermee wordt het arrest van het hof bekrachtigd, waarmee de vordering van NWH wordt afgewezen. Dit arrest bevestigt de bestaande rechtspraak over de beoordeling van onteigeningsschade en de berekening van rentevergoeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Nieuw Werklust Holding B.V. wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/01596
Datum17 juni 2022
ARREST
In de zaak van
NIEUW WERKLUST HOLDING B.V.,
gevestigd te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Rijnwoude,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: NWH,
advocaat: C.S.G. Janssens,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: De Staat,
advocaten: S.A.L. van de Sande en N.E. Groeneveld-Tijssens.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
zijn arrest in de zaak 08/02107, ECLI:NL:HR:2010:BL0591 van 26 maart 2010;
de arresten in de zaak 200.074.625/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 april 2011, 21 mei 2013, 5 maart 2018, 24 april 2018 en 16 februari 2021.
NWH heeft tegen het arrest van het hof beroep van 16 februari 2021 in cassatie ingesteld.
De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt NWH in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien NWH deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
17 juni 2022.