Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Inleidende opmerkingen
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
Gedateerde conceptleveringsakte
onderdeel 1bestrijdt NWH met diverse klachten de beslissing van het hof in rechtsoverweging 2.4.2 dat NWH onvoldoende heeft toegelicht waarom een eventueel noodzakelijke aanpassing van de leveringsakte tot een andere waardering van het bijkomend aanbod zou moeten leiden:
onder 1.2is een rechtsklacht te lezen: het hof zou een te zware stelplicht op NWH hebben gelegd. Daarnaast bevat het subonderdeel een motiveringsklacht, die erop wijst dat NWH al vanaf 2007 heeft verzocht om een geactualiseerde versie van de conceptleveringsakte. De klacht
onder 1.3ten slotte, voert aan dat het hof was gehouden te bepalen dat de voorwaarden uit de conceptleveringsakte zoveel mogelijk worden over- en opgenomen in de nieuwe, geactualiseerde leveringsakte.
subonderdeel 2.1luidt:
systematiekaan te vallen, maar wat het bezwaar tegen die systematiek is, is mij niet duidelijk geworden. In het oordeel (van deskundigen en) van het hof ligt besloten dat wat ná 2004 bekend is geworden, niet meebrengt dat de door hen gehandhaafde systematiek ongeschikt is. Dit laatste oordeel wordt door het middel als zodanig niet bestreden. Voor zover de inleiding van onderdeel 2 (‘in plaats van waardering van het bijkomend aanbod per heden’) de suggestie bevat dat deskundigen ook in hun aanvullend advies van 13 december 2019 niet de actuele waarde van het bijkomend aanbod zouden hebben bepaald (en in plaats daarvan de waarde in 2004), geldt dat die suggestie onjuist is; deskundigen hebben wel degelijk de actuele waarde van het bijkomend aanbod getaxeerd. [16] In de schriftelijke toelichting van de zijde van NWH [17] kan eventueel nog worden gelezen dat waar de Staat en NWH het eens waren over een waardering op basis van een prijs per vierkante meter, onbegrijpelijk is dat de deskundigen een andere systematiek hebben gekozen. Deskundigen en het hof waren aan de door de partijdeskundigen gekozen systematiek echter niet gebonden.
ponerendat de voor de waardering van de synergetische voordelen van belang zijnde elementen, namelijk enerzijds het bebouwbaar oppervlak en de bebouwingsmogelijkheden en anderzijds de funderingskosten, door (deskundigen en) hof onjuist zijn beoordeeld. Waarom het oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk is, laat de steller van het middel ons raden. Wel verwijst hij wat betreft het bebouwbaar oppervlak en de bebouwingsmogelijkheden nog terloops naar “het memo Dijkema”, maar dat is uiteraard op zichzelf (volstrekt) onvoldoende. [18] Voor zover hij met subonderdeel 2.3 beoogde vooruit te wijzen naar onderdeel 3, missen de klachten van het subonderdeel zelfstandige betekenis.
onder 2.4en
2.5gaan ervan uit dat het onteigende na teruglevering in verband met de opstal voor het merendeel niet kan worden bebouwd en betogen dat de berekening van de deskundigen in verband daarmee onbegrijpelijk is. Zij falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Deskundigen [19] hebben vastgesteld dat het onteigende wél bebouwbaar is, maar dat bebouwing hogere kosten meebrengt in verband met de aanwezigheid van de tunnel. Ook het hof is daarvan uitgegaan.
Onder 3.1klaagt het middel dat het oordeel in rechtsoverweging 2.4.1 onbegrijpelijk is in het licht van de door NWH ingenomen stellingen ten aanzien van de betekenis van het memo Dijkema, waaruit volgt dat het door deskundigen gehanteerde bebouwingspercentage niet kan worden gehaald in verband met de uit dat memo volgende bouwbeperkingen. De steller van het middel brengt naar voren dat deskundigen noch het hof hebben gereageerd op de berekening van NWH in de bij brief van 17 oktober 2019 gegeven reactie op het ontwerpadvies van deskundigen van 5 september 2019.
op zichzelfverwaarloosbaar zijn. Deskundigen hebben hun berekening in hoofdstuk IV van hun advies van 9 december 2019 als volgt toegelicht:
in verhouding tot de totale investering van € 6.250.000,—niet leidt tot een heroverweging van de factor 0,625, omdat bij de berekening van die factor al rekening is gehouden met verschillende posten die daarop van invloed zijn. [23]
maximaal2% bouwkosten tussen redelijk handelen partijen een niet te verwaarlozen invloed heeft op de prijs, is een feitelijke kwestie, waarop NWH een andere visie had en heeft dan deskundigen en het hof. Dat mag, maar is voor een slagende cassatieklacht uiteraard volstrekt onvoldoende.
Onder 5.2is een gelijkgestemde motiveringsklacht te lezen.
magkiezen voor een begroting gelijk aan de (samengesteld te berekenen) wettelijke rente. Ik citeer het arrest in de onteigening ‘Brabander’ uit 2011:
Brabanderen het in het citaat genoemde arrest van 21 november 2008 (
Waterkering Zederik) meent te kunnen beroepen. Die arresten bieden op geen enkele wijze steun aan de opvatting als zou het nadeel dat de onteigende lijdt door het gemis van het bedrag waarmee de uiteindelijke schadeloosstelling het betaalde voorschot te boven gaat in de periode tussen de dag waarop het vonnis van vervroegde onteigening is ingeschreven in de openbare registers en de dag waarop de schadeloosstelling wordt vastgesteld, minimaal op de wettelijke rente dienen te worden gesteld. Ik zie ook overigens voor die opvatting geen grond. [26]
subonderdeel 6.1heeft het hof miskend dat de derde uitrit, die buiten gebruik is en in deplorabele staat verkeert, wel een waarde vertegenwoordigt, zodat NWH voor het verlies daarvan dient te worden gecompenseerd in de schadeloosstelling wegens onteigening. Volgens de motiveringsklacht in
subonderdeel 6.2heeft het hof ten onrechte niet gemotiveerd waarom de derde uitrit geen waarde vertegenwoordigt en om die reden niet in de schadeloosstelling dient te worden betrokken. [28]
onder 7.1, volgens welke het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor de beoordeling van de vraag of de door NWH gestelde meerkosten moeten worden vergoed, mist feitelijke grondslag. Aangevoerd wordt dat het hof ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de te maken kosten voor beschoeiing als zodanig en de benodigde te maken meerkosten in verband met de aanwezigheid van de tunnel. Deskundigen hebben ten aanzien van dit aspect in hun advies van 9 december 2019 vastgesteld dat de kosten voor beschoeiing langs de kreek vallen binnen de normbedragen ‘Kosten bouwrijp maken’ zoals weergegeven in het rapport van [A] . [30] De vergelijking die in het advies wordt gemaakt met de kosten voor plaatsing van beschoeiing langs de Oude Rijn, komt uit de eigen koker van NWH. Volgens haar moest daarbij aansluiting worden gezocht, maar door deskundigen is onder meer erop gewezen dat de kreek en de Oude Rijn qua maatvoering en diepgang niet met elkaar zijn te vergelijken. Niet valt daarom in te zien dat het hof is uitgegaan van een onjuiste maatstaf, dan wel dat hij zijn oordeel op dit punt onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Daarmee valt derhalve niet alleen het doek voor subonderdeel 7.1, maar ook voor de motiveringsklacht in
subonderdeel 7.2.
onderdeel 8ten slotte klaagt NWH dat het hof partijen in een rechtsonzekere situatie heeft geplaatst, omdat het ten onrechte niet op de stelling heeft gerespondeerd dat nu er een gedeelte van het gebouw is onteigend, dit kan leiden tot complicaties in het geval NWH het bijkomende aanbod niet zou aanvaarden. Door te verzuimen op dit onderdeel te beslissen heeft het hof volgens de steller van het middel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans had het hof moeten motiveren waarom geen andere beoordeling op dit punt nodig of gewenst was.