Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
15 februari 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte was veroordeeld voor opzettelijk gebruik van vals geschrift. De Hoge Raad vernietigde het arrest deels en wees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting van de strafoplegging.
Het geschil richtte zich op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Het hof had geoordeeld dat de berechting in eerste aanleg en hoger beroep niet binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden, maar had bij die beoordeling alleen het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en het eerste arrest van het hof in aanmerking genomen.
De Hoge Raad benadrukte dat bij terugwijzing de rechter zowel het tijdsverloop vóór de vernietigde uitspraak als het tijdsverloop in de cassatiefase en het daaropvolgende hoger beroep moet meenemen, waarbij de onderscheiden procesfasen afzonderlijk beoordeeld moeten worden. Het hof had dit niet gedaan en daarmee het cassatiemiddel terecht gegrond verklaard.
De Hoge Raad besloot de zaak zelf af te doen en stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf rechtvaardigde. De straf werd verminderd van 80 naar 72 dagen gevangenisstraf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf van 80 dagen wordt verminderd naar 72 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.