Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard. (...)
3.Beslissing
21 juni 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een beklag tegen beslaglegging op een leaseauto van het merk Audi, die toebehoort aan een leasemaatschappij (klaagster). De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat het beslag gegrond was op artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, omdat er volgens haar voldoende aanwijzingen waren dat de auto aan de klaagster was gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken, en dat klaagster dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden.
De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze situatie zich voordoet. Hoewel de rechtbank feiten aanvoerde zoals een opvallend hoge aanbetaling en mogelijke niet-naleving van de Wwft door klaagster, volgt hieruit niet zonder meer dat er voldoende aanwijzingen zijn voor het kennelijke doel en het bewustzijn daarvan door klaagster.
De Hoge Raad benadrukt dat bij beslag op grond van artikel 94a Sv en een beklag van een derde die eigenaar stelt te zijn, de rechter moet toetsen of buiten redelijke twijfel vaststaat dat die derde eigenaar is en of de situatie van lid 4 of 5 van artikel 94a Sv zich voordoet. De rechtbank heeft dit onvoldoende gedaan.
Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant voor een nieuwe behandeling en beslissing op het beklag. De uitspraak is gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 21 juni 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering van toepassing artikel 94a lid 4 Sv.