ECLI:NL:HR:2022:977

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2022
Publicatiedatum
30 juni 2022
Zaaknummer
19/01393
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 lid 2 SvArt. 81 lid 1 ROArt. 440 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat hem een gevangenisstraf van 22 maanden oplegde, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging.

De Hoge Raad beoordeelde twee cassatiemiddelen. Het eerste middel klaagde dat het hof niet in het bijzonder had gemotiveerd waarom het was afgeweken van een door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de strafoplegging. Dit middel werd verworpen, mede omdat een gelijkluidend middel reeds was behandeld in een samenhangende zaak tegen dezelfde verdachte.

Het tweede middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit middel werd gegrond verklaard, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 naar 21 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, paste deze aan en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 5 juli 2022 door een kamer van vijf raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 22 naar 21 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01393
Datum5 juli 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2019, nummer 21/001230-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 lid 2 gebaseerde Pro beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de strafoplegging.
2.2
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. Vandaag heeft de Hoge Raad een gelijkluidend cassatiemiddel besproken en verworpen in zaak 19/01394, ECLI:NL:HR:2022:975, tegen dezelfde verdachte. De Hoge Raad hoeft daarom in deze zaak niet verder te motiveren waarom hij tot zijn oordeel is gekomen omdat het nu niet meer nodig is om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 21 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, M.J. Borgers, J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 juli 2022.