Uitspraak
hierna: [de V.O.F.],
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
De vordering van BOD tot betaling van meerwerk
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
30 juni 2023.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een geschil tussen [de V.O.F.] en BOD Totaalinstallateur B.V. over betaling van de restant-aanneemsom na een aannemingsovereenkomst. [de V.O.F.] had een overeenkomst gesloten met Enicon Duurzaam Bouwen B.V., die failliet ging waarna BOD de vordering overnam. BOD vorderde betaling van € 113.669,41, bestaande uit meer- en minderwerk en de restant-aanneemsom.
De rechtbank wees de vordering af, maar het hof veroordeelde [eisers] tot betaling van de restant-aanneemsom van € 28.560,--. Het hof verwierp het beroep op opschorting wegens gebreken en oordeelde dat het geluidsprobleem onvoldoende was om betaling op te schorten. Het hof ging echter niet volledig in op het beroep op verrekening met het saldo van meer- en minderwerk.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte niet heeft aangenomen dat het beroep op verrekening ook ziet op de restant-aanneemsom. Omdat het saldo van meer- en minderwerk toereikend is om de vordering te voldoen en BOD zich daar niet tegen heeft verzet, kan de Hoge Raad zelf de zaak afdoen. Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de betaling van de restant-aanneemsom toewijst en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. BOD wordt veroordeeld in de kosten van cassatie.
Uitkomst: De vordering van BOD tot betaling van de restant-aanneemsom wordt afgewezen wegens verrekening met meer- en minderwerk.