Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2023:1039

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juli 2023
Publicatiedatum
5 juli 2023
Zaaknummer
21/04879
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 2:262 SrC
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen moord in Curaçao

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in een zaak van medeplegen moord op Curaçao.

De verdediging had meerdere cassatiemiddelen ingediend, waarvan het eerste werd ingetrokken en het tweede werd aangevuld. De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het vonnis uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en tot vermindering van de opgelegde straf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de uitspraak van het hof niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden omdat de stukken te laat waren ingezonden en de uitspraak pas na meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan.

Hierdoor werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd tot vijftien jaren en negen maanden. Het beroep werd verder verworpen en de uitspraak van het hof werd vernietigd voor zover het de strafoplegging betrof.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot vijftien jaren en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04879 C
Datum4 juli 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 11 november 2021, nummer H 110/20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De raadsman heeft bij aanvullende schriftuur het eerste cassatiemiddel ingetrokken en de toelichting op het tweede cassatiemiddel aangevuld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijftien jaren en negen maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 juli 2023.