Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
7 juli 2023.
Hoge Raad
De werknemer was sinds 2009 in dienst bij Autoschade Zutphen B.V. en werd op 20 oktober 2020 op staande voet ontslagen. De werkgever vorderde een vergoeding van € 17.903,19 bruto op grond van artikel 7:677 lid 2 en Pro 3 BW, gebaseerd op de opzegtermijn van drie maanden die voor de werkgever gold.
De kantonrechter wees het verzoek af, maar het hof vernietigde deze beslissing en veroordeelde de werknemer tot betaling van het gevorderde bedrag, stellende dat de werknemer ernstig verwijtbaar had gehandeld en daarmee een dringende reden had gegeven voor ontslag op staande voet.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte was uitgegaan van de opzegtermijn van de werkgever bij het bepalen van de vergoeding. Volgens de Hoge Raad moet de vergoeding gebaseerd zijn op de opzegtermijn van de partij die de dringende reden geeft, in dit geval de werknemer, waarvoor een termijn van één maand geldt.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest voor zover het de veroordeling tot betaling van € 17.903,19 betreft en veroordeelde de werknemer tot betaling van € 5.967,73 bruto, gelijk aan het loon over één maand, vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten werden verdeeld en de werkgever werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De werknemer wordt veroordeeld tot betaling van loon over één maand als vergoeding bij ontslag op staande voet, in plaats van drie maanden.