Uitspraak
kantoorhoudende te Goes,
kantoorhoudende te Breda,
gevestigd te Zug, Zwitserland,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 november 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen curatoren van het faillissement van Zeeland Aluminium Company N.V. (Zalco) en Glencore AG over de uitoefening van een pandrecht op aluminium dat zich in ovens van de elektrolysefabriek bevond.
Zalco was eigenaar van de elektrolysefabriek en verkocht het perceel grond onder voorbehoud van erfpacht en opstalrecht. Glencore had een pandrecht gevestigd op het aluminium. Na faillissement van Zalco en stillegging van de productie, ontstond discussie over de executie van het pandrecht door Glencore. De curatoren stelden een termijn voor executie en verbonden daaraan voorwaarden die Glencore in redelijkheid niet kon nakomen, mede door een overeenkomst waarbij het aluminium buiten hun feitelijke macht werd gebracht.
Het hof oordeelde dat het aluminium roerend is gebleven en dat Glencore een pandrecht had. Het stelde vast dat de curatoren misbruik maakten van hun bevoegdheid door de termijnstelling en voorwaarden, waardoor Glencore haar positie als separatist behield. De curatoren werden veroordeeld tot schadevergoeding aan Glencore. De Hoge Raad vernietigde het arrest slechts voor zover het de ingangsdatum van de wettelijke rente betrof en stelde deze vast op 10 september 2012, de dag van de geplande executieveiling die niet doorging.
De Hoge Raad compenseerde de proceskosten en deed de zaak zelf af, bevestigend dat de curatoren onrechtmatig handelden en dat Glencore recht heeft op vergoeding van haar schade met wettelijke rente vanaf 10 september 2012.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt vast dat de curatoren onrechtmatig hebben gehandeld door misbruik van bevoegdheid bij de termijnstelling, waardoor Glencore haar pandrecht behield en recht heeft op schadevergoeding met wettelijke rente vanaf 10 september 2012.