ECLI:NL:HR:2023:106
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over belastingrente na betaling voorlopige aanslag
De zaak betreft een geschil over de berekening van belastingrente in het kader van de inkomstenbelasting 2016 van de erflater. Na een boekenonderzoek sloot de erflater een vaststellingsovereenkomst met de Inspecteur, waarna hij een bedrag van €450.000 betaalde en een voorlopige aanslag werd opgelegd. Later leidde een tweede voorlopige aanslag tot een teruggaaf, waarna de erflater een herziene aangifte indiende en een derde voorlopige aanslag met belastingrente werd opgelegd.
Het Hof Den Haag oordeelde dat de belastingrente terecht was berekend over het volledige bedrag en de gehele periode. Belanghebbenden stelden in cassatie dat rente niet mag worden berekend over de periode waarin de Belastingdienst al beschikte over het bedrag via de eerste voorlopige aanslag.
De Hoge Raad volgt dit standpunt en verwijst naar een eerder arrest waarin is bepaald dat belastingrente niet verschuldigd is over een periode waarin het bedrag al door de Belastingdienst werd ontvangen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor herbeoordeling met inachtneming van deze maatstaf.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het cassatiegeding en draagt deze op het betaalde griffierecht aan belanghebbenden te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 27 januari 2023 door raadsheren Feteris, Faase en van der Voort Maarschalk.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met beperking van belastingrente tot het bedrag en de periode vanaf 2 februari 2018.