In deze zaak staat borgtocht en de gevolgen van faillissement centraal. [Eiser 2] had zich borg gesteld voor een lening van [verweerder] aan vennootschappen, met toestemming van zijn echtgenote [eiseres 1]. Na faillissement van [eiser 2] werd de procedure geschorst voor hem en doorgehaald voor zijn echtgenote. De vordering van [verweerder] werd erkend in het faillissement en het hoger beroep van [eiseres 1] werd door het hof afgewezen omdat zij geen memorie van grieven had ingediend.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onterecht het hoger beroep van [eiseres 1] heeft verworpen zonder dat de procedure weer op de rol was geplaatst. De procedure had geschorst moeten blijven voor de echtgenote, aangezien de vordering ook betrekking heeft op de huwelijksgoederengemeenschap die valt onder het faillissement van [eiser 2]. Daarnaast verklaart de Hoge Raad [eiser 2] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep omdat hij niet langer partij was na overname door een schuldeiser en zijn beroep te laat is ingesteld.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de voortzetting van de procedure zonder betrokkenheid van de gefailleerde niet in strijd is met het EVRM, omdat de wettelijke regeling een evenwichtige afweging maakt tussen het algemeen belang van schuldeisers en de rechten van de gefailleerde. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling van het hoger beroep van [eiseres 1].