Uitspraak
kantoorhoudende te Utrecht,
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
18 december 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de uitleg van artikel 29 van Pro de Faillissementswet (Fw) over de schorsing van rechtsgedingen bij faillissement. De vraag was of het geding in hoger beroep geschorst moet worden als de faillietverklaring plaatsvindt nadat in eerste aanleg al uitspraak is gedaan, maar het hoger beroep pas na de faillietverklaring aanhangig wordt gemaakt.
De kantonrechter wees het verzoek van de verweerster af, waarna het faillissement van de vennootschap werd uitgesproken. Het hoger beroep werd daarna ingesteld tegen de curator. Het hof oordeelde dat artikel 29 Fw Pro niet van toepassing was omdat het geding bij faillietverklaring niet aanhangig was in die instantie.
De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat artikel 29 Fw Pro ook in dit geval van toepassing is. De schorsing treedt in zodra het geding aanhangig wordt bij de rechter die kennisneemt van het rechtsmiddel, ongeacht of dat voor of na faillietverklaring is. De Hoge Raad herstelt daarmee de bescherming van schuldeisers en de positie van de curator.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling, en de beslissing over de proceskosten wordt gereserveerd. Hiermee komt de Hoge Raad terug van eerdere rechtspraak die een beperkter toepassingsbereik aan artikel 29 Fw Pro gaf.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en bepaalt dat de schorsingsregeling van artikel 29 Fw ook van toepassing is op hoger beroep dat na faillietverklaring wordt ingesteld.