Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
7 juli 2023.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de vraag welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitrale uitspraak die voortkomt uit een buitenlandse arbitrageprocedure die vóór 1 januari 2015 is gestart.
Seitur en CWT waren partijen bij een samenwerkingsovereenkomst die in 2012 werd opgezegd. CWT startte in november 2012 een arbitrageprocedure bij het International Court of Arbitration in Parijs. In april 2015 werd een arbitrale uitspraak gedaan die grotendeels in het voordeel van CWT was. CWT verzocht vervolgens in 2019 het gerechtshof Amsterdam om erkenning en tenuitvoerlegging van dit arbitrale vonnis in Nederland.
Het hof verklaarde zich bevoegd en verleende verlof tot tenuitvoerlegging, maar Seitur stelde dat op grond van het overgangsrecht en het oude procesrecht de voorzieningenrechter van de rechtbank bevoegd is. De Hoge Raad oordeelt dat het oude arbitragerecht van toepassing is op arbitrages die vóór 1 januari 2015 zijn aanhangig gemaakt, en dat op grond daarvan de voorzieningenrechter bevoegd is. De beschikkingen van het hof worden vernietigd en de zaak wordt verwezen naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam.