Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud zaak in cassatie
2.Feiten en procesverloop
CWT en Seitur zijn met ingang van 1 april 2011 een ‘Partnership Agreement’ (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) aangegaan.
Procesverloop [2]
CWT heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarin primair verzocht het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren, althans te verwerpen, en de Hoge Raad subsidiair verzocht de zaak af te doen door zelf verlof te verlenen tot erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis. [6]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 2.2 van de tussenbeschikking, waarin het hof het volgende heeft overwogen (voor de leesbaarheid citeer ik ook rov. 2.1):
Het cassatieberoep stelt daarmee de absolute bevoegdheid van de rechter, aan wie een verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis wordt gericht, aan de orde.
Het onderdeel is daarmee terecht voorgedragen.
Dat laatste brengt mij op de regeling van de relatieve bevoegdheid.
2.3 Reden voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland
2.5 Bevoegdheid
Met het slagen van onderdeel 1 slaagt ook onderdeel 2.
Er zijn evenwel grenzen aan deze bevoegdheid. Op grond van art. 3:13 lid 1 BW Pro kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Het tweede lid van art. 3:13 BW Pro geeft vervolgens een niet limitatieve opsomming van gevallen waarin sprake is van misbruik van bevoegdheid, waaronder de uitoefening met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend of indien men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij die uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. [19] Op grond van art. 3:15 BW Pro vindt art. 3:13 BW Pro ook buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Ook misbruik van een processuele bevoegdheid valt dus onder art. 3:13 BW Pro.
mitsdie procedure
ookwordt gevoerd om een rechterlijke uitspraak te verkrijgen ter verwezenlijking of handhaving van eigen gepretendeerde, ter beoordeling aan de rechter voorgelegde, rechten. Als dat laatste niet het geval is, dan wordt de bevoegdheid om te procederen kennelijk uitsluitend voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij is gegeven, dus misbruikt. Datzelfde geldt indien processuele bevoegdheden worden aangewend met
geen ander doeldan om de procedure te rekken, aldus Lindijer. [24]