ECLI:NL:HR:2023:1086

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2023
Publicatiedatum
7 juli 2023
Zaaknummer
21/00845
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.55 Wet IB 2001Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake belastingbeschikking

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2021, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een beschikking op grond van artikel 3.55, lid 7, Wet IB 2001 heeft behandeld.

De Hoge Raad heeft de ingediende klachten tegen het hof onderzocht en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk te motiveren waarom de klachten niet tot cassatie leiden, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Hiermee blijft de uitspraak van het hof in stand.

Het arrest is op 7 juli 2023 in het openbaar uitgesproken door de belastingkamer van de Hoge Raad, onder voorzitterschap van raadsheer M.W.C. Feteris, met de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/00845
Datum7 juli 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2021, nr. 20/00557 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 18/5093) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3.55, lid 7, Wet IB 2001.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door H.J. Strijkert, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2023.