Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
5 september 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan medeplegen van witwassen van een aanzienlijk geldbedrag van € 67.950. Het hof baseerde de bewezenverklaring op banktransacties, vals opgemaakte facturen en verklaringen van betrokkenen. Verdachte was bestuurder en aandeelhouder van de betrokken vennootschap en had onder meer zijn bankpas ter beschikking gesteld.
De Hoge Raad oordeelt dat uit de bewijsvoering van het hof niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld afkomstig was van een misdrijf. De enkele omstandigheid dat verdachte het geen bezwaar vond dat de vennootschap werd gebruikt voor transacties die niet met de vennootschap te maken hadden, is onvoldoende.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het betreft de bewezenverklaring en strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en beslissing. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs van opzet.