Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
8 september 2023.
Hoge Raad
Deze beschikking van de Hoge Raad behandelt de vraag of een vrouw die in 1955 zowel de Nederlandse als de Israëlische nationaliteit bezat, haar Nederlandse nationaliteit verloor door het huwelijk met een Israëlische man. De vrouw was geboren in Nederland en had via haar vader de Nederlandse nationaliteit verkregen. Zij emigreerde in 1948 naar Israël en verkreeg toen de Israëlische nationaliteit. In 1955 trouwde zij met een Israëlische man en kreeg twee dochters.
De Staat stelde dat op grond van art. 5 WNI Pro (oud) de vrouw haar Nederlandse nationaliteit verloor doordat zij de Israëlische nationaliteit van haar echtgenoot volgde bij het huwelijk. De dochters verzochten de rechtbank om te verklaren dat hun moeder de Nederlandse nationaliteit nog bezat bij hun geboorte. De rechtbank wees dit verzoek toe, stellende dat verliesbepalingen terughoudend moeten worden uitgelegd en dat de vrouw niet viel onder art. 5 lid 1 of Pro lid 2 WNI (oud) omdat zij al vóór het huwelijk dezelfde nationaliteit als haar echtgenoot bezat.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwierp het cassatieberoep van de Staat. De Hoge Raad overwoog dat art. 5 WNI Pro (oud) niet bedoeld was voor situaties waarin de vrouw al vóór het huwelijk dezelfde nationaliteit als haar echtgenoot had, en dat de parlementaire geschiedenis en ministeriële circulaires deze interpretatie ondersteunen. Het beroep werd verworpen en de beschikking van de rechtbank bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vrouw haar Nederlandse nationaliteit niet verloor door het huwelijk in 1955.